Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krassen - (een scherp geluid produceren, met een scherp voorwerp schrappen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

krassen ww. ‘een scherp geluid produceren, met een scherp voorwerp schrappen’
Mnl. cratsen ‘een scherp geluid geven, inkervingen maken’ [1420; MNW] naast cretsen ‘krabben’ [1351; MNW]; vnnl. kratsen, kretsen ‘schrappen, krabben’ [1573; Thes.], krassen [1599; Kil.].
Misschien ontleend aan Duits kratzen ‘krassen’, met in het Nederlands assimilatie van -ts- tot -ss-. Dit Duitse woord gaat terug op Proto-Germaans *kratton- ‘krabben’, vermoedelijk een klanknabootsend woord.
Mnd. kratten ‘krabben’ (waaruit ozw. kratta ‘krabben’, nzw. kratta ‘(aan)harken’); ohd. krazzōn (nhd. kratzen, waaruit nde. kradse); < pgm. *krattōn-. Vermoedelijk bestond hierbij ook mnl. *kratten, indirect geattesteerd door middeleeuws Latijn cratare, gratare ‘krabben, krassen’ en Frans gratter, leenwoorden uit het Oudnederlands. In dat geval is het mogelijk dat krassen met een s-achtervoegsel van *kratten is afgeleid. Naast pgm. *krattōn- staat *kratjan-, waaruit mnl. cretten ‘krabben’, zoals in credse ende slaet se van v ‘krab ze en sla ze van u af’ [1276-1300; VMNW]. Ten slotte hoort hierbij wrsch. ook ablautend on. krota ‘met figuren versieren’ (nno. krota).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krassen [een scherp geluid geven, inkervingen maken] {cratsen 1420, krassen 1599-1607} < middelhoogduits kratzen, kretzen, klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krassen 1 ww. ‘vogelgeluid’, eig. ‘geluid van een voorwerp, dat over iets anders krast’, dus een overdrachtelijk gebruik van krassen 2.

krassen 2 ww., mnl. crassen (zelden) naast cratsen, cretsen, ook Kiliaen kratsen, kretsen ‘krassen, krabben’ < mhd. kratzen, kretzen, zo ook mnd. kratzen, krassen. De onverschoven vorm tonen mnl. cretten, mnd. kratten ‘krabben’. Verder on. krota ‘met figuren versieren’, nnoorw. krota ‘figuren uitsnijden’, nzw. dial. krota, kråta ‘persen, langzaam werken, houtsnijden’ (vgl. ozw. kratta ‘krabben’). — alb. gërrusë ‘slechtijzer’ (IEW 405). — Zie ook: kreits.

Uit mnl. cratsen is als uitdrukking der weverij ontleend me. cracchen (± 1320), vgl. Toll 33.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kras III znw., sedert de 17. eeuw. Verbaalnomen bij krassen, mnl. (zeldzaam) crassen naast cratsen, gew. cretsen, Kil. kratsen, kretsen “krassen, krabben”. Ofschoon de verschillende vormen als zelfstandig ontstane onomatopoeën kunnen verklaard worden, is ’t waarschijnlijker, dat ze gezamenlijk op mhd. kratzen, kretzen (nnd. kratzen; ohd. chrazzôn) “id.” teruggaan; evenzoo mnd. kratzen, krassen “id.”. Mnl. ook klankwettig cretten (*kratjan) “id.” = mnd. kretten “(tot toorn) prikkelen, lastig vallen”. Met ablaut on. krota “uitbeitelen”. Uit een germ. t-vorm ook it. grattare, fr. gratter “krassen, krabben”. Verwantschap met lit. grándau, grándyti (met nasaleering) “schuren, schaven” is mogelijk. Hoogerop zou de woordfamilie van krabben, kerven verwant kunnen zijn: idg. gere-bh- naast gere-d-; eventueel hierbij ook gere-s-(ier. greim “hapje” enz.; zie kers II).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krassen 2 ono.w. (geluid geven), vergel. Fr. croasser, Lat. crocire, Gr. krṓzein: onomat.

krassen 1 o.w. (krabben), Mnl. crassen, cratsen + Ohd. krazzôn (Mhd. en Nhd. kratzen): intens. van *kratten, Mnl. cretten; hoogerop verwant met krabben; onomat. Aan dezen Germ. vorm ontleende het Fr. gratter.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

krassen (kraste, heeft gekrast), (ook:) 1. krabben op een plaats waar het jeukt, jeuken. Hij begon zijn gat te krassen. Gaapte weer (Cairo 1978b: 32). - 2. jeuk veroorzaken, jeuken. Die muskiet* stak precies op d’r rug! () Nu kraste dat ding, gevaarlijk*! - Jeuk me rug fo me! (Cairo 1978b: 261). - Etym.: S krasi. AN k. = o.m. met iets scherps over een oppervlakte gaan, waarbij ’krassen’ (groetjes) ontstaan, SN krabben* (1).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krassen (Duits kratzen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krassen ‘een scherp geluid geven; inkervingen maken’ -> Deens kradse ‘inkervingen maken’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors krasse ‘krabben, krabbelen, krassen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kratsa ‘schrapen, schuren, krabben, meeste vuil verwijderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rassata ‘met een rasp iets bewerken, schoonmaken’ <via Zweeds>;? Ambons-Maleis karis ‘inkervingen maken’; Sranantongo krasi ‘krabben, jeuken; geil (zijn); jeuk’; Saramakkaans kaási ‘krassen, jeuken’ <via Sranantongo>; Arowaks kharasèng, kharasa ‘inkervingen maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krassen een scherp geluid geven, inkervingen maken 1420 [MNW] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gred- : grod- ‘kratzen’?, Nur alb. und germ.

Alb. gërrusë, gërresë, krūs(ë) ‘Schabeisen’ (aus dessen Vorstufe stammt lat. grosa ds.), zum dehnstuf. Präs. gërruanj, kruanj, kruj, auch gërruëj, gërüj ‘kratze, schabe’ (aus *grōd-, idg. grēd-);
anord. krota (*gr̥d-) ‘eingravieren’, ablaut. (mit Intensivgemination) aschwed. kratta ‘(zer)kratzen’, ahd. krazzōn, mhd. nhd. kratzen ds. (germ. *krattōn), neben den j-Verben mnl.cretten (und cretsen), mhd. kretzen ds., kretze ‘Krätze’;
hierher mit expressivem Vokalismus ahd. krizzōn, mhd. kritzen ‘einritzen, kritzeln’, ebenso mhd. krīzen ‘eine Kreislinie ziehen’, mit sekundärem Ablaut ahd. mhd. kreiz (*kraita-) ‘Kreis’ (‘*eingeritzter Zauberkreis’); expressiv wohl auch die s-Erweiterung in ndd. kratsen, krassen ‘kratzen’.

WP. I 607, 651, WH. I 622 f., Wissmann Nom. postverb. 175 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal