Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

langs - (in de lengte; langer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

langs bw., vz. ‘in de lengterichting van, voorbij, door, via’. Mnl. lancs ‘in de lengterichting’ in colummen ... staende lanx in de sale ‘pilaren, staande in de lengterichting van de zaal’ [1285; CG II], ook reeds als voorzetsel in langhes den ... diic ‘langs de dijk’ [1280-87; CG I]. Afleiding van → lang met bijwoordelijke → -s.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

langs1* [in de lengte] {langes, lancs, lanx [in de lengte, rechtuit] 1287} middelnederduits langes [languit, langs], middelhoogduits langes [lang geleden, languit, langs], 2e nv. van lang. In de uitdrukking ervan langs krijgen [een pak ransel krijgen] betekent langs ‘over’, dus over het lichaam slagen krijgen.

langs2* [langer] {bv. in lanc so mere [hoe langer hoe meer] 1301-1350} modern hoe langs hoe meer, met het bijwoorden vormende achtervoegsel s voor middelnederlands lanc, eigenlijk de oude bijw. vergrotende trap van lang.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

langs 1 voorz., mnl. langhes, lanx ‘in de lengte, rechtuit’ als voorz. ‘langs’, mnd. langes ‘languit, langs’, mhd. langes, lenges (nhd. längs, längst) ‘lang geleden, languit, langs’; eig. de 2de nv. van lang, eerst als bijw. ‘in de lengte, overlangs’, dan als voorz.

langs 2 bijw. in uitdr. als ergens langs gaan, ervan langs krijgen, hoe langs zo meer, mnl. langhes ‘in de lengte, overlangs’ is van lang gevormd met een bijw. s, eig. oude adv. comparatief, vgl. os. ofri. oe. leng ‘langer’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

langs I voorz., mnl. langhes, lanx bijw. “in de lengte, rechtuit”, voorz. “langs”. = mhd. langes (lenges, nhd. längs, längst) “lang geleden, languit, langs”. mnd. langes “languit, langs”. Gen. van lang, als bijw. = “in de lengte, overlangs” gebruikt, later ook voorz.

langs II bijw.(hoe langs zoo meer e.dgl.), reeds zelden in ʼt Mnl. Met bijwoordelijke -s voor mnl. lanc in dgl. verbindingen. Dit is de oude adverbiale comperativus van lang, = os. ofri. ags. leng “langer”. Vgl. voor de vormen mnl. bat “meer” enz. bij beter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

langs bijw. en voorz., met adv. s van lang 1. — In zoo langs zoo meer staat langs voor lang ten gevolge der uitspraak zoo lank soo meer. Dit lang is een comp. van lang 3, beantwoordend aan Os. leng + Mhd. leng, Ags. leng: z. bet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

langs (vz.) langs; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) langs, Vreugmiddelnederlands lanx <1285>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

langs ‘bijwoord van richting’ -> Fries langs ‘bijwoord van richting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

langs* bijwoord van richting 1285 [CG Rijmb.]

langs* voorzetsel 1351 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1330. Er van langs krijgen,

d.w.z. een pak slaag krijgen; ook een geducht standje krijgen of van zaken, die veel te lijden hebben; iemand er van langs geven, hem een pak slaag toedienen, hem flink op zijn nummer zetten. Eig. iemand langs d.i. over, zijn lichaam slagen toedienen. Zie Ndl. Wdb. VIII, 1064; Molema, 237: zij kriegen 'r wat (van) langs, zij krijgen slagen; zij worden erg bepraat, belasterd.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

del-5 ‘lang’, verbal ‘in die Länge ziehen’, zuversichtlicher nur fürs Slav. einzuräumen, aber wohl Basis für die verbreitete Erw. delēgh- und (d)longho- (s. zuletzt Persson Beitr. 889, 903 Anm. 1)

Vielleicht hierher anord. talma ‘aufhalten, hindern’, mnd. talmen ‘trödeln, im Reden und in der Arbeit langsam sein, dumm reden’, norw. mdartl. tøla ‘zögern, warten’, tøle ‘Tropf, Tor’ (Persson Beitr. 889);
aksl. pro-dьliti ‘μηκῦναι’, russ. dlitь ‘hinziehen, zögern’, dliná f. ‘Länge’, čech. dle f. ‘Länge’, dlíti ‘zögern’, usw. (Berneker 252); vielleicht dalję ‘weit, fern’ (Meillet MSL.14, 373; Berneker 177 neben anderen Ergänzungen).
delēgh-, dḹghó-:
schwachstufig ai. dīrghá- = av. darǝga-, darǝɣa-, apers. darga- ‘lang’, hochstufig Komp. Superl. drā́ghīyas-, drā́ghiṣṭha- ‘länger, längst’, av. drāǰyō Adv. ‘weiter’, drāǰištǝm Adv. ‘amlängsten’, npers. dirāz (eigentlich Komparativ) ‘lang’, ai. drāghimán-, drāghmán- m. ‘Länge, Dauer’, av. drāǰō n. ‘Strecke, Länge’;
gr. ἐνδελεχής ‘fortdauernd’ (‘*sich in die Länge ziehend’), ἐνδελεχέω ‘dauere fort’, δολιχός ‘lang’ (zum i s. Schwyzer Gr. Gr. I 278, anders Specht Dekl. 126), δόλιχος ‘die lange Rennbahn’;
über alb. glatë usw. s. unten;
lat. vermutlich indulgeō ‘gehe einer Sache nach, fröne ihr; bin willfährig’ (: ἐνδελεχής, Gdbed. dann ‘bin langmütig jemandem gegenüber, halte geduldig aus’) aus *en-dolgh-ei̯ō.
cymr. dal, dala, daly ‘halten’, bret. dalc’h ‘Besitz’, derc’hel ‘halten’ (r diss. aus l, vgl. Partiz. dalc’het) vermutlich mit ders. Bed.-Entw. wie nhd. ‘wonach langen’ zu ‘lang’ (Gdf.*del(ǝ)gh-; Zupitza BB. 25, 90 f., Pedersen KG. I 52, 106);
got. tulgus ‘fest, standhaft’ (‘*lang, ausdauernd’), as. tulgo Adv. ‘sehr’, ags. tulge, Komp. tylg ‘lieber’, Superl. tylgest ‘best’;
balt. mit unerklärtem d-Verlust (s. unten): lit. ìlgas, f. ilgà, lett. il̃gs, apr. ilga und ilgi Adv. ‘lang’;
aksl. dlъgъ, serb. dȕg, ačech. dlúhý, russ. dółgij ‘lang’ (= ai. dīrghá-), dazu serb. dȗž f. ‘Länge’; aksl. dlъgota ‘Länge’ (= ai. dīrghatā); urslav. *dlgostь, poln. długość usw. ds.;
hitt. Nom. Pl. da-lu-ga-e-eš (dalugaes) ‘lang’, da-lu-ga-aš-ti (dalugasti) n. ‘Länge’.
/d/longho-s:
a) mpers. drang, npers. dirang ‘lang’ (aber alb. glatë, gjatë, gjat ‘lang’ zunächst aus *dlagh-t-);
b) lat. longus, got. laggs, ags. ahd. nhd. lang (ahd. langēn ‘lang werden, lang dünken, verlangen’, usw.); aber air. usw. long ‘Schiff’ scheint aus lat. (navis) longa entlehnt; wegen der zweiten Bedeutung ‘Gefäß’ und mir. coblach ‘Flotte’ (*kom-u̯o-log- oder *-lug-) hält jedoch Loth (RC. 43, 133 f.) das Wort für echt keltisch; vgl. auch den abrit. FlN Λόγγος (Ptol.) und den gall. VN ΛΟΓΓΟ-ΣΤΑΛΗΤΕΣ (Aude); anlaut. dl- bleibt sonst keltisch erhalten. In der Gruppe b) wird eine bereits gemeinsame westidg. Vereinfachung vorliegen, die mit dem d-Verlust von balt. ilgas zusammenhängen dürfte. Vgl. auch Specht Dekl. 126.

WP. I 812 f., WH. I 694 f., 820 f., Trautmann 55, Pedersen Hitt. 34 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal