Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lessenaar - (meubel waaraan men leest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lessenaar zn. ‘meubel waaraan men leest’
Mnl. lessenere ‘spreekgestoelte, lessenaar op een spreekgestoelte’ [1240; Bern.], viere lessenaren ‘vier lessenaars’ [1420; MNW].
Afleiding van Middelnederlands lesse ‘voorlezing’, zie → les, met het achtervoegsel -(e)naar, nevenvorm van → -aar. Gewoonlijk worden met dit achtervoegsel alleen persoonsaanduidingen gevormd. Misschien heeft het woord oorspr. inderdaad ‘voorlezer’ betekend en is de betekenis nog vóór de oudste overlevering overgegaan op het meubel waarachter de voorlezer stond. Minder wrsch. is de aanname (FvW), dat het woord zou zijn gevormd naar het voorbeeld van middeleeuws Latijn lectionarium ‘boek met bijbelteksten voor de mis’; attestaties met het woord in deze betekenis zijn in het Nederlandse taalgebied niet gevonden.
Onder invloed van → lezen is later ook de Nieuwnederlandse nevenvorm lezenaar [1800; WNT lezenaar] ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lessenaar [schuin blad op voetstuk ter ondersteuning voor lezen] {lessenare, lessenaer 1201-1250} gevormd van les naar het voorbeeld van middeleeuws latijn lectionarium (vgl. lectionarium).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lessenaar znw. m., mnl. lessenare, lessenaer m. is van les gevormd naar het voorbeeld van lat. lectionārium; het woord lezenaar is daarna weer aangepast aan het ww. lezen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lessenaar znw. Afl. van les; mnl. lessenâre, -aer m. Ontstaan onder invloed van lat. lectiônârium naast lectio. De jongere bijvorm lezenaar onder invloed van lezen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lessenaar m., = leestoestel, een afleid. van les (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lessenaar (Latijn lectionarium)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lessenaar ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’ -> Noors dialect lesnart, lessenart ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’; Indonesisch lésnar, lisnar ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’; Javaans lèsnar ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift; kistje, trommel’; Madoerees lasnar, lesnar ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’; Soendanees lesnar ‘al wat men gebruikt om brieven, papieren, gedrukte stukken in te doen; brieventas, portefeuille’; Creools-Portugees (Batavia) lesnaar ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’; Papiaments lèsenar (ouder: lessenaar) ‘bureau, schrijftafel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lessenaar schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut