Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-lijk - (bijvoeglijk achtervoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-lijk achterv. dat bn. vormt
Onl. -līk in bijv. egislīk ‘angstaanjagend’, ērlīk ‘eervol’, wunderlīk ‘wonderbaarlijk’, begerlīk ‘begeerlijk’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], grōtlīk ‘belangrijk, groots’ [1151-1200; Reimbibel], in bijwoorden -līko; mnl. -lijc, in bijwoorden -like en soms -lijc; nnl. in beide gevallen alleen nog -lijk. De spelling met -ij- weerspiegelt de historische uitspraak met lange klinker /līk/, maar omdat het achtervoegsel altijd onbeklemtoond was, werd de uitspraak wrsch. al vroeg verzwakt tot nnl. /lək/.
Hetzelfde woord als het zn.lijk 1 ‘lichaam’, dat als tweede lid in samenstellingen met andere zn. al zeer vroeg een betekenisverzwakking naar ‘gedaante’, ‘vorm’ en ‘uiterlijk voorkomen’ moet hebben ondergaan; als achtervoegsel is -lijk al algemeen aanwezig in alle Oudgermaanse talen.
Os. -līk (mnd. -līk); ohd. -līh (mhd. -līch, nhd. -lich); ofri. -līk (nfri. -lik); oe. -līc (ne. -ly); on. -líkr (nzw. -lig); got. -leiks; < pgm. *-līka-.
Met dit achtervoegsel zijn zeer veel bn. gevormd bij zelfstandige naamwoorden en bijwoorden. Afleidingen van naamwoorden zijn al in het Oudnederlands en de andere Oudgermaanse talen het talrijkst. De betekenis van het achtervoegsel is steeds ‘passend bij, de kenmerken hebbend van, behorend bij, gepaard gaande met, toebehorend aan, e.d.’, zie bijv. ook → dadelijk, → degelijk, → gemakkelijk, → heimelijk. Afleidingen van werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden zijn in het Oudnederlands nog zeldzaam; voor latere afleidingen zie bijv.aanzienlijk, → afhankelijk, → geleidelijk, → hebbelijk, en → eigenlijk, → kwalijk, → lelijk, → nauwelijks, → olijk. Een afzonderlijke behandeling verdienen → achterlijk (gevormd bij een bijwoord), → innerlijk, → uiterlijk (beide gevormd bij een comparatief), waarvan de oudste voorbeelden Middelnederlands zijn. Voor een speciaal geval zie → dagelijks.
Met -lijk (mnl. -like) worden ook bijwoorden gevormd, bijna altijd naast een corresponderend bn. op -lijk (mnl. -lijc): mnl. vrilike ‘ongehinderd’ (nnl. vrijelijk) bij vri ‘vrij’, en wiselike ‘op verstandige manier, behoedzaam’ (nnl. wijselijk) bij wijs. Zeer oude voornaamwoorden met -lijc zijn ten slotte; mnl. -ghelijc ‘ieder’ in onserghelijc ‘ieder van ons’, haerghelijc ‘ieder van hen’, enz. gevormd met het collectieve voorvoegsel → ge-, zie ook → elk, → welk, → zulk en → gelijk 1; en mnl. manlic ‘ieder’, waaruit malk-ander, zie → elkaar.
Lit.: H.U. Schmid (1998), -lîh-Bildungen: Vergleichende Untersuchungen zu Herkunft, Entwicklung und Funktion eines althochdeutschen Suffixes, Göttingen, 95-105; Schönfeld, par. 164

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-lijk*, -elijk [achtervoegsel tot vorming van bn. en bijw.] {oudnederlands -lic in bv. gebedelic 901-1000, middelnederlands -lijc, -lic, -leke in bv. iamerlik [jammerlijk] 1236} hoogduits -lich, gotisch -leiks; in oorsprong identiek met het zn. lijk [lichaam], en toen dienend tot vorming van bezittelijke samenstellingen, vervolgens tot achtervoegsel geworden, waarbij de toon steeds verder verzwakte, totdat de vocaal een sjwa werd; vóór -lijk kwam aanvankelijk meermalen een e, een zaak van ritme en vervolgens van gewoonte.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijk 3 achtervoegsel, is het germ. suffix -līka. vgl. mnl. -lijc, (-lic, -lec), onfrank. -līk, os. -līk, ohd. -līh (nhd. -lich), ofri. -lik, oe. -līc (ne. -ly), on. -līkr (in hvīlīkr ‘welkʼ; ook -ligr), got. -leiks. Daarnaast staat het bnw. ofri. līk, oe. līc (ne. like), on. līkr ‘gelijk’. — Een germ. samenstelling zoals sama-līka- ‘dezelfde gedaante hebbendʼ, eig. een bahuvrihi-samenstelling, kan uitgangspunt van dit gebruik van -līka als suffix geweest zijn. — lit. lýgus ‘gelijkʼ (zie verder: lijk 2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-lijk III suffix. Een algemeen germ. suffix -lîka-: mnl. -lijc (-lic, -lec), onfr. -lîk, ohd. -lîh (nhd. -lich), os. -lîk, ofri. -lī̆k, ags. -lîc (eng. -ly), on. -lîkr (bijv. hvîlîkr; zie welk; gewoner is -ligr), got. -leiks. Het oudste type vertegenwoordigen woorden als got. samaleiks “gelijk, hetzelfde uiterlijk hebbend”; het zijn bahuvrihi-composita met *lîka- (= lijk II) als tweede lid. In alle oudgerm. diall. is echter -lîka- reeds suffix. Vgl. gelijk en misselijk. Over een formeel met gelijk overeenstemmend, maar syntactisch anders op te vatten woord (= “elk”) vgl. bij iegelijk. Dit *ӡa-lîka- “elk” steekt ook in dagelijks, mnl. dāghelijc(s) bnw., dāghelijc(s), dāghelîke bijw., dat ook in andere talen voorkomt. De bijwoordelijke functie is de oudste: den oorspr. vorm vertoont ohd. (allero) tago gilîh(hes) (nhd. täglich). Evenzoo jaarlijks, maandelijks enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-lijk 3 suffix, Mnl. -lijc, -lic, -lec, Os. -lîk + Ohd. -lîh (Mhd. -lich, Nhd. id.), Ags. -líc (Eng. -ly), Ofri. -lík, On. -líkr (Zw. en De. -lig). Go. -leiks: is hetz. als lijk 1. = lijf, voorkomen, vorm, dus b.v. vrouwelijk = hebbende een vrouwenlijf, een vrouwenvorm. In samenst. met gen. mv. = ieder; dus Mnl. dagelijk = ieder der dagen (z. gelijk, elk, zulk, welk).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut