Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lo - ((open plek in) bos)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loo* [open plek in bos] {in de plaatsnaam Analo, nu Andel (N.-Br.) <ca. 850>, lo(o) [bos, bosrijke vlakte, begroeide plek] 1230} oudhoogduits lōh [bosschage], oudengels leah (engels lea) [open veld], oudnoors , vgl. Oslo; buiten het germ. latijn lucus [woud, heilig domein], litouws laukas [open veld], oudindisch loka- [open ruimte, wereld], van dezelfde stam als licht1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lo 1 ‘bosʼ (alleen nog in plaatsnaam als Het Loo, Ruurlo, Venlo), mnl. loo ‘bosʼ, mnd. lōch, ‘klein bosjeʼ, ohd. laoh, lōh (nhd. dial. , lōh), oe. leah, leag ‘weide, veldʼ (ne. lea, ley), on. (alleen in plaatsnamen), ‘openplek in het bos,weideʼ. — lat. lucus ‘heilig woudʼ, osk. lúvkei ‘in lucoʼ, oi. loka ‘open ruimteʼ, lit. laukas ‘openveldʼ.

Men gaat gewoonlijk van de bet. ‘open plek in het bosʼ uit en verbindt met gr. leúkos ‘witʼ (vgl. reeds het rom. lucus a non lucere); uit deze met gras begroeide open plekken ontwikkelde zich dan ook de bet. ‘weideʼ (IEW 688). Naast de idg. wt. *leuk ‘lichtʼ, staan ook leug ‘buigenʼ en leuĝ ‘brekenʼ, met andere cons. *leub, leubh, leup ‘afschillen van de schors, afbrekenʼ. Na de onderzoekingen van J. Trier, Holz 1952 en van H. Schwarz in Festschr. Trier 1954 zal men moeten uitgaan van de idg. wt. *leu, die betrekking heeft op het kreupelbos, bos van jonge bomen en de werkzaamheden daarin (vgl. verder AEW 351-2).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loo v. (bosch), Mnl. loo + Ohd. lôh (Mhd. lôch), Ags. léah (Eng. lea), On. (Skand. lo) + Skr. lokas = ruimte, Lat. lucus = woud, Lit laũkas = open veld. Het w. behoort bij den wortel van licht 1. en bet. eig. clairière.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

loë, zn.: streek met bos waar nog veel licht door valt. Mnl. loo ‘bos, bosrijke vlakte’ in veel plaatsnamen, zoals Eeklo, Oploo, Elslo, Boekelo. E. lea ‘open gras- en weideland’, D. dial. lo, loh. Germ. *lauha ‘bosje op hoge zandgrond’ (TW). Oind. loka ‘open ruimte’, Lat. lucus ‘woud’, Lit. laukas ‘open veld’. Verwant met gr. leukos ‘helder’, Lat. lux ‘licht’ en Ndl. licht. – Bibl.: W. van Osta, Lo, looi, looien en verwanten. Naamkunde 26 (1994), 155-206.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lo kreek (Tholen). Wschl. = lo ‘(open plek in een) bos’ (~ lat. lucus ‘bos’, lit. lãukas ‘open veld’). Metonymia?
Schönfeld 1955, 154-157, Ghijsen 554-555.

loeë streek met bos waar nog vrij veel licht door valt (Venray). = lo in plaatsnamen als Oploo, Eeklo, Elslo, Boekelo = eng. lea ‘open gras- en weideland’, lit. laũkas ‘open veld’, hgd. dial. lo, loh, oind. loka ‘open ruimte’, lat. lucus ‘woud’. Enerzijds schijnt er verband met lat. lux ‘licht’ en nl. licht (= got. liuhath ‘licht’) en denkt men dat de oorspronkelijke betekenis was ‘open plek in het bos’, anderzijds wordt het Duitse dialectische lo vnl. gebruikt voor de uit kreupelhout bestaande bosrand en denkt men dat de i.e. wortel met de bosbouw en speciaal het laaggewas te maken heeft en dat er verband is met woorden als loot en got. liudan ‘groeien’.
Schols/Linssen 275, Trier 1952, 114-125.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

lo 'licht, open bos'
In tegenstelling tot wold 'moerasbos', gelegen aan de randen van het veen, heeft lo oorspronkelijk betrekking op een op hogere zandgrond gelegen licht bos met hoogopgaand hout. Het onderscheidt zich van holt, een zwaarder bos dat timmerhout levert, dat vooral op keileemgronden voorkomt1. Lo-namen komen voor in gebieden met een lange bewoningstraditie en zij wijzen op secundaire nederzettingen, deels al uit de vroeghistorische periode, op plekken die door het gebruik van het bos (met name beweiding) waren opengevallen2.
In het Nederlands komt het toponymisch grondwoord lo als soortnaam niet meer voor. Een laat voorbeeld van zelfstandig gebruik dateert uit de 16e eeuw: "Niemandt en sal uijt den loe houwen dan tot nootwegen"3. Het gebruik is beperkt tot toponiemen, soms zelfstandig zoals in de plaatsnaam Loo, meestal als tweede deel van samengestelde plaatsnamen. Het eerste deel kent een grote variatie als persoonsnamen, planten, dieren, grootte aanduiding enz.
In lo zijn waarschijnlijk twee topografische termen al vroeg samengevallen. Enerzijds een lo ontstaan uit germ. *lauha 'open plek in het bos', later 'open bos, bos', oe. lêah 'open plaats in een bos, weide', etymologisch verwant met lat. lucus '(gewijd) bos', in de verte zelfs met lat. lux 'licht'. De tweede term zou ontstaan zijn uit germ. *lahwa/*lagwa 'plas, poel', later 'moeras, drassige grond, natte weide enz.', oe. lea 'poel > weide', os. lagu 'plas, poel', dat men terugvindt in de Groningse namen op lage4. Het is mogelijk dat we bij lo 'plas, poel' te maken hebben met een plaatselijke secundaire ontwikkeling5. Het toponymisch grondwoord is over een lange periode (vanaf de vroege middeleeuwen, mogelijk al eerder, tot in de late middeleeuwen) productief geweest bij het vormen van namen, waarbij de betekenis van germ. *lauha door het gebruik van het bos veranderde van een lichtrijk bos naar een open weide. In het rivierengebied evolueerde de betekenis zelfs tot 'onbegroeide hoogte'6. In sommige namen met lo vinden we een onzekere herinnering aan heidense cultus: → Heiloo 'heilig bos', Dorsel (B), 1186 Donreslo 'bos van Donar', mogelijk ook → Ermelo, → Usselo en → Woensel (alle twijfelachtig).
Een aantal plaatsnamen is in de loop der tijd zo afgesleten dat het grondwoord lo niet meer herkenbaar is (in de uitspraak gereduceerd tot -el). Ook is lo door letteromzetting verdwenen: Nisterle werd Nistelre, daarna Nistelroy en Nistelrode, Tongerloe werd Tongerle, daarna Tongelre; Waderlo werd Waarlo, Waarle en ten slotte Waalre, Winterle werd Wintelre. In enkele plaatsnamen komt lo in datief meervoud voor, zoals in 855 kopie 9e of begin 10e eeuw Ottarloun (→ Otterlo). Zie verder → Neerloon en → Overloon, → Loon1 en → Loon_op_Zand.
Lit. 1Spek 2004 200, 2Spek 2004 passim, 3Stadsrechten Rijssen, 4Naamkunde 26 (1994) 155-206, 5Naamkunde 34 (2002) 73v, 6Blok 1980.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loo* (open plek in) bos 0830 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leuk- 1. ‘leuchten, licht’; 2. ‘sehen’, louko-, luko- ‘leuchtend’; louko- ‘Lichtung’, leukos- ‘Licht’, louki-, luki- ‘Licht’, louk-s-no-/-nā ‘Leuchte, Mond’

1. Ai. rócatē ‘leuchtet, scheint’, av. raočant- ‘leuchtend’, ai. rōcáyati ‘läßt leuchten, beleuchtet’, av. raočayeiti ‘erleuchtet, beleuchtet’ (= lat. lūсео);
ai. rōcaná- ‘leuchtend’, roká- m. ‘Licht’ (= arm. lois ‘Licht’, cymr. llug), rōcíṣ n. ‘Licht’ (= ahd. loug, ags. lieg, aisl. leygr m., slav. lučь m.), lōká- m. ‘freier (heller) Raum, Welt’ (= lat. lūcus, lit. laũkas ‘Feld’, ahd. usw. lōh); rōcá- ‘leuchtend’ (: lit. Adj. laũkas ‘blässig’), rucá- ‘hell’ (: gr. λυκόφως, ἀμφι-λύκη, cymr. am-lwg, aisl. log n. ‘Flamme’), rúci- f. ‘Licht, Glanz’ (= apr. luckis), rukmá- n. ‘Gold’, m. ‘goldener Schmuck’, rúkmant- ‘glänzend’ (vgl. den germ. lat. -men-St.); rṓcas-, rōcís- n., av. raocah-, ap. raučah- n. ‘Licht, Leuchte, bes. des Himmels’, ai. rukṣá- ‘glänzend’, av. raoxšna- ‘glänzend’ (= ahd. liehsen) f. ‘Licht’ (= lat. lūna, mir. luan, apr. lauxnos, abg. luna, schwundstufig gr. λύχνος; auf diesem -es-St. beruhen auch lat. lūstrāre, lucubrāre, ags. lioxan, aisl. ljōs, lit. lũkestis);
arm. lois, Gen. lusoi ‘Licht’, lusin ‘Mond’, lusn ‘weißer Fleck im Auge’, luc̣anem ‘zünde an, brenne’, Aor. luc̣i (ursprüngl. skō-Präs.);
gr. λευκός ‘licht, glänzend, weiß’ (λεῦκος, λευκίσκος Fischnamen), λοῦσσον ‘weißer Kern im Tannenholz’ (: abg. luča aus *loukiā); λύσσα f. ‘Wut’ (nach den funkelnden Augen); ἀμφι-λύκη ‘Zwielicht’, λυκό-φως ds., μορμο-λύκη ‘Schreckbild’; λυκάβᾱς ‘Neumondstag’, ist unklar; (vgl. Leumann, Hom. Wörter 2124; nach Kretschmer Gl. 22, 262 zu λύκος ‘Wolf’); λύχνος ‘Leuchte’ (*luk-s-nos, auf Grund des -(e)s-St.); unklar ist λουνόν· λαμπρόν Hes.;
illyr. PN Λεύκαρος, dazu venet. (?) ON Λευκάριστος (Schlesien);
lat. lūx, -cis ‘Licht’ (alter i-St.) lūceō, -ēre, lūxī ‘leuchten, hell sein’, alat. auch ‘(ein Licht) leuchten lassen’ (*loukéi̯ō = ai. rōcáyati), pollūcēre ursprüngl. ‘leuchten (oder sehen) lassen’, daher pollūcte ‘kostbar’, pollūcibilis ‘köstlich, herrlich’, pollūctūra ‘köstlicher Schmaus’; lūculentus ‘glänzend; stattlich, ansehnlich’, lūcerna ‘Leuchte, Lampe’ (vgl. air.lōcharn, s. unten); Juppiter Lūcetius etwa ‘Lichtbringer’ (osk.; vgl. den gall. Mars Leucetius, got. liuhaþ): lūcus, alat. Akk. loucom ‘Hain’, eigentlich ‘(Wald-)Lichtung’ (vgl. collūcāre ‘in einem Wald eine Lichtung vornehmen’, interlūcāre ‘Bäume auslichten’), osk. lúvkeí ‘in lūcō’ (s. oben ai. lōká-); vielleicht auch umbr. Vuvçis ‘Lūcius’;
lat. lūmen ‘Licht’ aus *leuk-s-men; lūna ‘Mond(göttin’) (*louksnā), praen. Losna (: apr. lauxnos, av. raoxšnā, mir. lūan, abg. luna); lūstrum ‘Sühneopfer; Zeitraum von fünf Jahren’ (*leuk-s-trom ‘Erleuchtung’), lūstrō, -āre ‘erhellen, beleuchten’, auch ‘reinigen’, illūstrāre ‘erleuchten, ans Tageslicht bringen, aufklären; verherrlichen’, rückgebildet illūstris ‘hell erleuchtet in die Augen fallend, berühmt’, lūcŭbrum ‘Dämmerung’ (*leukos-ro-), lūcŭbrāre ‘bei Licht oder Nacht arbeiten’;
cymr. llug ‘Schimmer, Glanz’, llug у dydd ‘Tagesanbruch’ (= ai. rōká-, arm. lois) Loth RC 39, 73; gall. *leuxos ‘hell’, *leukā ‘die Weiße’, s. Wartburg FEW. s. v. v.
air. luchair ‘Glanz’, lūaichtide ‘glänzend’, luach-te ‘weißglühend’; air. lōcharn, luacharn f. ‘Leuchte, Laterne, Lampe’, cymr. llugorn (auch llygorn m., Pl. llygyrn), corn. lugarn ds., bret. lugern m. ‘Glanz’;
gall. Leucetius, Loucetius ‘Beiname des Mars’ (vgl. lat.-osk. Lūcetius); mir. lóch, lúach ‘glänzend’, air. lōchet (n. nt-St.) ‘Blitz’, daraus entlehnt cymr. lluched, acorn. luhet, bret. luc’hed-enn ‘Blitz’; mir. lūan ‘Licht, Mond’, dīa lūain ‘Montag’ (*leuk-s-no- : lat. lūna); cymr. llwg ‘glänzend’, llygo ‘einen Glanz werfen’ (vgl. mit der Bed. von gr. λεύσσω als ‘con-spicuus’ unten cymr. am-lwg, cyf-lwg, eg-lwg ‘conspicuus’); mir. loch ‘schwarz’ (*luko-), cymr. llwg ‘schwarzgelb’, hochstufig llug ‘schwarz’ (*louko-) wohl ursprüngl. ‘glänzend schwarz’;
got. liuhaþ ‘Licht’ (: lat. Lūcetius, gall. Leucetius), ahd. as. lioht ‘hell’ und n. ‘Licht’, ags. lēoht ds.; got. lauhatjan ‘leuchten, blitzen’, ahd. lougazzen und schwundstufig lohazzen ‘flammen, feurig sein’, ags. līegetu f. ‘Blitz’; ahd. lōh ‘bewachsene Lichtung, niedriges Gebüsch’, mnd. lōh, lōch ‘Gehölz, Busch’, Namen wie Water-loo, ags. lēah ‘offenes Land, Wiese’, aisl. fn. ‘Lichtung’ (= ai. lōká- usw.); ahd. lauc, loug, ags. līeg, aisl. leygr, mask. i-St. ‘Flamme, Feuer’ (= ai. rōcí-, slav. lučь), aisl. logi m. = afries. loga ‘Flamme’, mhd. lohe ‘Flamme’; aisl. ljōmi m., as. liomo, ags. lēoma ‘Glanz’ (*leuk-mon-), got. lauhmuni ‘Blitz, Flamme’ (áu, vgl. engl. levin ‘Blitz’ aus *lauhuƀni-);
aisl. lōn f. (*luhnō) ‘stilles Wasser’, logn n. ‘Windstille’ (vgl. gr. λευκη γαλήνη) ‘blanke Windstille’);
aisl. ljōri m. ‘Rauchloch’, norw. ljōra ‘sich aufklären’, mhd. ūz-lieren ds.;
auf Grund des -es-St. aisl. lȳr m. (*leuhiz) ‘Lub, Gadus pollichius’ (von der hellen Farbe der Seiten und des Bauches des Fisches), aisl. lȳsa f. ‘Merluccius vulgaris, Merlan’, norw. lysing ds., vgl. schwed. löja, löga ‘Abramis alburnus’ aus *laugiōn, nhd. Lauge ‘Cyprinus alburnus und leuciscus’); mhd. liehsen ‘hell’ (*leuhsna- = av. raoxšna-), aisl. ljōs n. ‘Licht’ (*leuhsa-), lȳsa ‘leuchten, glänzen, hell machen, erklären, verkünden’ = ags. líexan, līxan ‘leuchten’;
lit. laũkas ‘blässig’, laũkas ‘Feld’ (‘Lichtung’), s. oben ai. lōká-, rocá- usw.; apr. luckis ‘Holzscheit’ (= ai. rucí-), ablaut. mit sloven. lúč usw. ‘Lichtspan’; FlN lit. Laukesà;
abg. luča ‘Strahl’ (louki̯ā, vgl. gr. λοῦσσον), ksl. auch lučь m. ‘Strahl, Licht’ (= ai. roci-, ahd. loug), sloven. lúč f. ‘Licht’, Pl. ‘Lichtspäne’, russ. luč ‘Strahl’, lučá ‘Kienspan’, čech. louč ‘Kien’; abg. luna ‘Mond’ (*louk-s-nā, wie lat. lūna usw.);
toch. А В luk- ‘leuchten, erleuchten’; A lok, lokit, В laukito ‘fremd’, lauke ‘weit’ (vgl. lit. laũk, laũkan ‘hinaus’ von laũkas ‘Feld’);
hitt. luk(k)- ‘leuchten, zünden’.
2. mit der Bedeutung ‘schwarz’ (aus ‘glänzend schwarz’ oder ‘verbrannt’): s. oben S. 688;
aber lat. lūcius ‘Hecht’ bedeutet ‘der Schillernde’.
3. Mit leuk- ‘leuchten’ deckt sich leuk- ‘sehen’:
ai. lṓkatē, lṓcatē ‘erblickt, wird gewahr’, lōkáyati, lōcáyati ‘betrachtet’, lōcanam ‘Auge’;
gr. λεύσσω ‘sehe’;
cymr. am-lwg, cyf-lwg, eg-lwg ‘conspicuus’, go-lwg ‘Sehen, Gesicht’ (auch cymr. usw. llygad ‘Auge’ aus *lukato-);
lit. láukiu, láukti ‘auf jemanden warten’, lūkė́ti ‘ein wenig harren’, lett. lũkuôt ‘schauen, auf etwas sehen, versuchen’, apr. laukīt ‘suchen’; aus ‘wonach schauen’: ‘zielen, treffen (werfen)’ und ‘erhalten, bekommen’ : lučiti sę ‘sich treffen, geschehen; müssen’; in russ.-ksl. lučiti ‘jemanden treffen’, usw.
4. Eine Parallelwurzel leuk̑- in:
Ai. rúśant- ‘licht, hell, weiß’, ksl. vъs-lysъ ‘kahl’, russ. lýsyj ‘kahl, blässig’; dazu vielleicht der Name des Luchses (entw. von den funkelnden Augen oder eher nach seinem grauweißen Fell): arm. lusanunk’ Pl., gr. λύγξ, λυγκός (woher die Nasalierung?), ahd. luhs, ags. lox, woneben aschwed. aus *luha- (vgl. etwa dt. Fuchs : got. fauhō), lit. lū́šis, lett. lūsìs, apr. luysis, abg. rysь (mit r statt l nach rъvati ‘ausreißen’?); nach Vasmer erklärt sich das slav. r vielleicht durch iran. Entlehnung; nicht ganz sicher steht die Bed. ‘Luchs’ für das zudem auf Media auslautende mir. lug, Gen. loga; andererseits erklärt Loth RC 36, 103 cymr. lloer, bret. loar ‘Mond’ aus *lug-rā, so daß man -g, -k, -k̑ als Erweiterungen auffassen könnte; vgl. auch oben S. 688 gr. λουνόν.

WP. II 408 ff., WH. I 823 ff., 827 f., 832 ff., 839, Trautmann 151 f., 164; anders Kuiper Nasalpräs. 1073.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal