Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lobbes - (grote, goedaardige hond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lobbes zn. ‘grote, goedaardige hond’
Vnnl. eerst als lobbe, lobbeken ‘ruigharige hond’ [1599; Kil.], dan ook lobbes ‘id.’ (in deze attestatie overdrachtelijk voor een persoon) [1632; Van der Veen 1663], ‘goedaardig dier of mens’ [1646; WNT].
Waarschijnlijk met het achtervoegsel -es voor persoonsaanduidingen, zie → dreumes, afgeleid van Middelnederlands lobbe ‘dikke massa, kwab, klomp’ [1384; MNHWS], zie → lob 1. Zie ook → loebas.
Mnd. lobbe, lubbe ‘dikke hanglip; grote hond’.
Lit.: J. van der Veen (1663), Zinne-beelden, oft Adams appel, Amsterdam, 438

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lobbes [goedaardig dier, mens] {1658} afgeleid van lob1, met het achtervoegsel van bv. dreumes.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lobbes znw. m. ‘goedaardige hond of mensʼ met de uitgang -es zoals in dreumes bij lobbig ‘ruimzittend van kleren, wijdʼ en zie verder: lob.

Het affectieve karakter van dit woord blijkt uit klinkervarianten zoals beierl. labǝs ‘flauwe kerel of meidʼ, achterh. laobǝs ‘onverschillige ventʼ en vla. labben ‘lummel, sulʼ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lobbes. Over het suffix vgl. dreumes Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lobbe, lobbes m., + Eng. lubber, looby, Noorsch lubba = dikke gestalte, van denz. wortel als lob. Voor suff. -es van lobbes, z. dreumes. Een andere weinig klare afl. is Vla. synon. lobbedei, waarmee vergelijk Ndd. lûlei = luierik, lûlein ww. = luieriken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

löbbes (zn.) goedaardig iemand; Nuinederlands lobbes <1599> < Käöls Löbbes.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

labbes, labus, lapes, zn.: lummel, slappeling. Vgl. Br. labes ‘slungel’, Zeeuws labes ‘sufferd, zonderling, rare kwast’, wabes ‘sufferd, zonderling’, Wvl. lobbe ‘sul’, Ndl. lobbes en Wvl. (lange) laber ‘slungel’. Mnd. labben ‘zich slap bewegen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

labes, zn.: slungel. Vgl. Zeeuws labes ‘sufferd, zonderling, rare kwast’. Contaminatie van Zeeuws wabes ‘sufferd, zonderling’ of Ndl. lobbes en Wvl. (lange) laber ‘slungel’. Mnd. labben ‘zich slap bewegen’, Wvl. lobbe ‘sul’.

loebas, loebbes, zn.: lomp paard; lummel, lomperd; lobbes. 1280 lobbaes, Ieper. Variant van lobbes.

lubbe(n), leubbe(n), lebbe(n), zn.: sul, lummel, lobbes. Wvl. lobbe(n), labben, Ovl. lobbe, lebben. Mnl. lobbe ‘afhangende strook van kant’, Vnnl. lobbe ‘ruige hond’ (Kiliaan), 1728 het is eenen lobben mé; hy laet syn vrauwe ghewerden, sy wilt geheel den baes spelen, Gent (LC). E. lob ‘sul, lobbes’, N. lubb ‘plompe figuur’. Wellicht naar het slap afhangende.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

labes 2 zn. m.: sufferd, zonderling, rare kwast. Contaminatie van Zeeuws wabbes en Ndl. lobbes. Maar vgl. ook Wvl. laber ‘slungel’, Mnd. labben ‘zich slap bewegen’, Wvl. lobbe ‘sul’ (zie lobbezak).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lowwes s.nw. (geselstaal) Ook soms lobbes en selde lubbes.
1. Lomp, onbeholpe vent wat groot van lyf is. 2. Liggaam of agterstewe.
In bet. 1 uit Ndl. lobbes (1658) 'goedige kêrel; sukkelaar'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. lobbes word ook gebruik om na 'n groot, lomp dier, veral 'n hond, te verwys, terwyl dit nie in Afr. die geval is nie.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

loebas lomp paard (Brabant). Variant van lobbes; met uitgang -es zoals in dreumes bij lobbig ‘ruim van kleren’ en lobberig ↑.
WBD 594, NEW 406.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lubben (DB), lubbe (WVD: Ruddervoorde), zn. m.: op latere leeftijd gecastreerde stier; sul, stumper. De Bo noemt hem ook bulos stieros’. Wellicht van het ww. lubben ‘castreren’ en vgl. lufer voor de bet. sul’. Zie ook lobbe.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lobbes: sul; goedzak. Sedert ca. 1658 volgens Van Dale. Een verouderde variant hiervan is hobbes.

Oom Borne, een gezellige praatvaar, mocht hem graag en noemde hem een lobbes. (P.A. Daum, Goena-goena, 1889)
Het zware regiem van de strafafdeling te Hoorn begon al op de luchthartige veldlegerlobbes te drukken. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lobbes ‘goedaardig dier of mens’ -> Duits dialect Labbes ‘eenvoudig mens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lobbes goedaardig dier of mens 1646 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal