Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lullen - (kletsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lullen ww. ‘kletsen’
Mnl. lollen ‘zacht murmelend zingen en bidden’ [1439; MNW-P]; vnnl. lullen ‘neuriën’ [1573; Thes.], ‘kletsen’ in het is mijnen scult, ick heb te veel gelult [midden 16e eeuw; WNT].
Een klanknabootsend woord; zie ook → lul.
Mnd. lollen (nhd. lullen ‘neuriën, in slaap zingen; zuigen’, waarbij Lulle ‘sigaret’); me. lullen (ne. lull ‘zacht in slaap zingen’) en me. lollen ‘hangen’ (ne. loll); nno. lulla ‘in slaap zingen’, nzw. lulla, nde. lulle .
In andere Indo-Europese talen verschijnen vergelijkbare vormen, bijv. Sanskrit lólati ‘beweegt heen en weer’, Litouws leliúoti ‘wiegen’. Een eenduidige reconstructie, bijv. pie. *leh2- ‘brullen, blaffen’ (LIV 400), met geredupliceerde vormen in de afgeleide talen, is bij zulke klanknabootsende woorden niet te bepalen.
De betekenis ‘kletsen, onzin vertellen’ kan al in de middeleeuwen zijn ontstaan, wegens de slechte reputatie van een rond 1300 gestichte vereniging van lekenbroeders, de Lollaerts of Lolbroeders, wrsch. zo genoemd naar het lollen ‘murmelend zingen en bidden’.
lulkoek zn. ‘kletspraat’. Nnl. alles wat je zegt is lulkoek [1921; Centrum]. Samenstelling van de stam van lullen en → koek, naar analogie van kletskoek, zie → kletsen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lullen* [kletsen] {lullen, lollen [binnensmonds zingen, neuriën] 1573; de betekenis ‘kletsen’ 1709} van lollen (vgl. lul).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lul 3 znw. m. ‘flauw gepraat, geklets’ verouderd ‘wijs waarop gezongen of gespeeld wordt’, verbaalnomen bij lullen 1.

lullen 1 ww. ‘binnensmonds zingen; kletsen’, een bijvorm van lallen, lellen en lollen.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lā-1 und lē- Schallwurzeln, Präs. lāi̯ō und lēi̯ō

Ai. rā́yati ‘bellt’ (eventuell auch zu rē- ‘schreien’); osset. raïn ‘bellen’;
arm. lam ‘weine’; unklar lor ‘Wachtel’ (s. unten gr. λάρος);
gr. λῆρος m. ‘Geschwätz, Possen, Tand’ (enthält lā- oder lē-), ληρέω ‘schwätze’; unklar ist der Vokalismus (onomatopoetisch?) in λάρος ‘Möwe’ (vgl. arm. lor ‘Wachtel’);
alb. leh ‘belle’;
lat. lāmentum ‘Wehklage’, lāmentāri ‘wehklagen’, lātrō, -āre ‘bellen’; vielleicht osk. lamatir ‘soll verflucht sein’;
air. līid (*lēi̯eti) ‘klagt an’; cymr. edliw (*ate-līu̯-) ‘tadeln’;
got. laílōun ‘sie schmähten’ (Präs. *laian, idg. *lē-); anord. f., ‘Brachvogel’, Pl. lør; lōmr ‘Meertaucher, laut schreiender Vogel’, vgl. isl. lōmur ‘Geschrei, Wehklage’;
lit. lóju, lóti ‘bellen’, lett. lāju, lāt ‘bellen, fluchen’, lādēt ‘verfluchen’; lādēt ‘verfluchen’;
aksl. lajǫ, lajati ‘bellen, schimpfen’ usw. (lajati für *lati nach dem Präteritalstamm, vgl. lit. lójo).
Redupliziert lal(l)a-: ai. lalallā ‘Lallen’; gr. λάλος ‘geschwätzig’, λαλία ‘Geschwätz’, λαλέω ‘schwatze’, λαλαγή ‘leichtes Gemurmel’; lat. lallō, -āre ‘in den Schlaf singen’, lallus ‘das Trällern der Amme’ (vgl. die PN Lalla, Lallia, Lallō, Lollia); nhd. lallen; lit. laluóti ‘lallen’, russ. lála ‘Schwätzer’, usw.
Ähnlich lel-, lul- ‘einlullen, einwiegen, schaukeln’ in:
ai. lṓlati ‘bewegt sich hin und her’, lulita- ‘flatternd’, lálati ‘tänzelt, spielt’, lēlā́yati ‘schwankt, schaukelt’; lat. lolium ‘Lolch, Taumel erregende Pflanze’; mnd. lollen, nhd. lullen; lit. leliúou, leliúoti ‘wiegen, schaukeln’, lett. leluoju, leluot ‘Kinder wiegen’; dazu lit.lė́lis, lėlỹs m. ‘Nachtrabe’; lett. lēlis ds. und ‘ungeschickter Mensch’; serb. léljati ‘wiegen, baumeln’, ljȗljati ‘wiegen’, russ. ljuljú ‘eia popeia’, lelja ‘Tante’, usw.; dazu russ. lelek, poln. čech. lelek ‘Nachtrabe’ (s. oben lit. lė́lis).
Vielleicht hierher mit k-Erweiterung:
gr. λάσκω (*λακ-σκω), Aor. ἔλακον, Perf. λέληκα, dor. λέλᾱκα ‘rede laut, schreie’, ληκέω (dor. λᾱκ-) ds., λακερός Hes. ‘geschwätzig’;
nach Jokl L.-ku. U. 205 zu alb. laikatis ‘schmeichle, beschwatze’.

WP. II 376 f., WH. I 752 f., 754 f., 819, Trautmann 146, 156, J. Loth RC 38, 49 f.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lölle (ww.) kletsen; Nuinederlands lullen <1550>.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lullen, ww.: neuriën, mompelen, kletsen; slap zijn, traag werken, lummelen, treuzelen. Var. van lollen ‘prevelen, dommelen’. D. lullen ‘neuriën’, E. to lull ‘in slaap wiegen’, to loll ‘lummelen’, D. lallen ‘lallen’, Lat. lallare ‘in slaap zingen’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lullen (lulde, heeft geluld), kletsen, kwebbelen, leuteren. Wat komen ze hier lullen ? Kijken hoe we pinaren*? Die ellendelingen (B. Ooft 1969: 79). Nu voelde hij zich geteisterd en bedreigd door die luidruchtige negerkinderen die daar op zijn hek stonden te lullen (Cairo 1977: 70). - Etym.: In SN wordt het, evenals in het Zeeuws (Ghijsen), niet gevoeld als grof of gemeenzaam, in AN wel. - Zie ook: kletsen*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lullen ‘kletsen’ -> Fries lulle ‘kletsen’; Sranantongo lùl ‘kletsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lullen* kletsen 1709 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal