Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maaien - (gewassen afsnijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maaien ww. ‘gewassen afsnijden’
Mnl. maien ‘maaien’ [1240; Bern.], overdrachtelijk ook ‘oogsten’, bijv. in wint sellen si saeyen ende storm sellen si maeyen ‘zij zullen wind zaaien en storm oogsten’ [ca. 1475; MNW], nog met sterk deelwoord in thoy ghemaeyen ende ghewonnen ‘het hooi (wordt) gemaaid en binnengehaald’ [1485; MNW].
Mnd. meien (door ontlening nzw. maja); ohd. māen (nhd. mähen); ofri. miā (sterk; nfri. meane < mjeane, met nieuwe infinitiefuitgang, daarnaast mier ‘maaier’); oe. māwan (ne. mow); alle ‘maaien, oogsten’, < pgm. *mēan-, oorspr. een sterk werkwoord, zie het verl.deelw. in de attestatie uit 1485. Dezelfde stam komt nog voor in: nnl. made, ne. meadow, nde. made, alle ‘weide’; zie ook → madelief.
Verwant met: Grieks amáein ‘snijden, maaien, oogsten’; bij de wortel pie. *h2meh1- ‘snijden, maaien, oogsten’ (IEW 703); hierbij misschien ook Latijn metere (verl.deelw. messum) ‘maaien, oogsten’ en Bretons mediñ ‘id.’, Welsh medi ‘oogsten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maaien* [afsnijden] {ma(e)yen, meyen 1201-1250} middelnederduits meien, oudhoogduits māen (hoogduits mähen), oudfries mia, oudengels mawan (engels to mow); buiten het germ. latijn metere, grieks amaō, bretons medeñ [maaien], oudiers meithel, oudwelsh medel [groep maaiers] → made2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maaien ww., mnl. maeyen, mnd. meien, meigen, megen, ohd. māen (nhd. mähen), ofri. *miā, miān (3. pers. enk. mēth), oe. mawan (ne. mow). — gr. amáō, maaien’; idg. wt. *mē, waarnaast *met (IEW 703), waarvoor zie: made 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maaien ww., mnl. maeyen. = ohd. mâen (nhd. mähen), mnd. meien, meigen, megen, ofri. *miâ(n) (3. pers. enkelv. mêth), ags. mâwan (eng. to mow) “maaien”. Verwant met gr. amáō“ik maai”. [Wegens de volledige overeenstemming in vorm van dit ww. met amáō, -omai “ik zamel in, oogst” is identiteit van idg. amê- “maaien” met amê- “bijeenvatten, vatten” mogelijk; vgl. ook ohd. â-mâd 1. “gramen novum”, 2. “dor rijshout”. Zie over deze woordgroep bij mare.] Naast (a)mé- staat me-t-: ier. methel “troep maaiers”, lat. meto “ik maai”. Ohd. mâd o. (nhd. mahd v.), ags. mæ̂ð o. “het maaien, het afgemaaide hooi” (eng. after-math), (ofri. in dei-mêth o. “tagemahd”) is een misschien eerst wgerm. afl. van mâ-, oergerm. mê-, evenals gr. ámētos “het maaien, de oogst” van amáō komt. Evenzoo is wellicht mnl. mâde, mêde, maet, meet v. (nog dial.), mnd. ofri. mêde, ags. mæ̂d, mæ̂dwe (eng. mead, meadow) v. “weiland, hooiland” een eerst wgerm. woord. Mnl. māde “id.” (nog dial.), mhd. mate, made (nhd. matte, ohd. reeds matoscrëch m. “sprinkhaan”), mnd. māde v. “id.” mogen wij echter wegens den ablaut voor een oudere formatie houden. De hd. vorm is ook naar het Noorden gedrongen: vgl. Teuth. mate, Kil. matte, madte (“Germ. Sax. Sicamb. Fris.”) “weiland”, waarop wsch. ndl. dial. mad, mat “stuk weiland; strook die een maaier met één zwaai maait” teruggaat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

maaien. Een aan ohd. mâd (â niettegenstaande de twijfel van Elis. Müller Teuth. 7, 180 vlg.), deels wellicht aan mnl. mâde beantwoordend znw. leeft voort in verschillende limb. en zuidndl. benamingen voor ‘nagras’ als: gromət, grommət (mhd. gruonmât v., hd. grummet o.); toemət; eimət, Bommelerw. eimaat (waarin ei- uit een aan ohd. ita- beantwoordende vorm *ēde- naast et-? zie etgroen). Schrijnen ZsfdeuMua. 18, 235 vlgg.; Grootaers Donum Schrijnen 595 vlgg. Over de verbreiding van rijnl. synoniemen Frings Festschr. Behaghel (1924) 199 vlgg.
(Slot). De verbreiding van hd. matte, dat een specifiek alem. woord is (vgl. Elis. Müller t.a.p. 162 vlgg.), maakt het hoogst onwsch., dat Kil. matte, madte werkelijk ndl. woorden zijn geweest. Voor ndl. dial. mad, mat is ook geen hd. invloed ter verklaring nodig; de d-vorm zal de oudste zijn. Teuth. mate heeft blijkens achterh. maot, maote â: het zal wel identisch zijn met ohd. mâd, terwijl de uitgang -e secundair is toegevoegd aan het woord welks stam als mât- werd gevoeld (vgl. eend Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maaien o.w., Mnl. maeien + Ohd. mâen (Mhd. mæ̀jen, Nhd. mähen), Ags. máwan (Eng. to mow), Ofri. miá, van Germ. wrt. + Gr. a-máein, Lat. metere, Oier. methel = troep maaiers: Idg. wrt. (z. dagmat, madelief en mat 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mejje (ww.) maaien; Vreugmiddelnederlands maien <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maai I: gras of graan afsny/afoes (ook fig.); Ndl. maaien (Mnl. maeyen), Hd. mähen, Eng. mow, hou verb. m. Gr. amáō, “(ek) oes”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maaien, van den Germ. wt. me (Idg. ) = maaien. Afl. zijn: made of maad = hooiland (maaien luidde vroeger ook maden, evenals bloeien: bloeden); vgl. Hoogmade. Ook wel mad of mat, vgl. iemand op ’t mad komen: iemand onder ’t maaien inhalen (volgens dr. Boekenoogen). Zie Zwaaien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maaien ‘afsnijden’ -> Deens meje ‘koren maaien’; Noors meie ‘afsnijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds meja ‘afsnijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands maej ‘afsnijden’; Sranantongo mai ‘afsnijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maaien* afsnijden 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

728. Iemand het gras voor (of onder) de voeten wegmaaien,

d.w.z. iemand een voordeel, een kans, of wel de gelegenheid om iets te doen benemen of afsnoepen, hem met iets voor zijn; Ndl. Wdb. V, 581. Verg. het oostfri. êmand 't gras för de fôten wegmeien; nd. weame dat Gras vör den Fäuten weag mäggen (Eckart, 169). De oorspr. bet. schijnt te zijn ‘iemand den voet lichten’, en vandaar eene kans afzien, hem vóór zijn; vgl. Spaan, 46: Alzoo hy wel zag, dat dit jonge borsje hem tavond of morgen het gras onder de voeten af zou komen te snyden; Tuinman I, 330; II, 119; C. Wildsch. III, 73: Ja ik ken ook wel wat uit de Schrift, al pronk ik er zô niet mee als zekere vrouwen, die de leeraars dikwijls het woord uit den mond neemen, en het gras voor de voeten wegmaaijen; Halma, 193: Iemand het gras van onder de voeten afmaaijen, couper à quelqu'un l'herbe sous le pied, le supplanter; Sewel, 295: Iemand 't gras onder de voeten weg maaijen, to trip up one's heels, to supplant or undermine one; Waasch Idiot. 229 a; Teirl. 481. De zegswijze is dan synoniem met iemand het gras onder de zolen maaien, dat Hooft in zijne Ned. Hist. 6 in den zin van ‘iemand den voet lichten’ gebruikt; fr. couper l'herbe sous le pied à qqn; eng. to cut the grass from under one's feet. In Zuid-Nederland: iemand den bal van veur de neuze nemen, pakken of slaan (Teirl. 95; Waasch Idiot. 88).

2612. Wat men zaait zal men ook maaien,

d.w.z. zooals wij zelve zijn, zoo zal men ons behandelen; men is zelf de oorzaak van zijn eigen lot; is iemand liefdeloos, geen liefde zal hij vinden, ‘wie voor stoffelijk voordeel en genot leeft, zal geen vrede noch vreugde verkrijgen maar ellende’ (Zeeman, 363). Het spreekwoord is ontleend aan den Brief v. Paulus aan de Gal. VI, 7: Want so wat de mensche zaeyt, dat sal hij oock maeyen. Vgl. bij Cicero, de Oratore, II, 65, 261: ut sementem feceris, ita metes (zie Büchmann, 364); afrik. wat jy saai, sal jy maai; fr. on recueille ce qu'on a semé; hd. was der Mensch säet das wird er ernten; eng. whatsoever a man soweth, that shall he also reap.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut