Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mega- - (zeer groot; een miljoen maal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mega- voorv. ‘zeer groot; een miljoen maal’
Nnl. in megascopium ‘werktuig om zeer grote dingen te meten’ [1824; Weiland], megameter ‘werktuig om grote dingen te meten’ [1832; Weiland], megaphoon ‘trechtervormig instrument om een geluid te versterken’ [1886; Kramers], megawatt ‘een miljoen watt’ [ca. 1960; WNT Aanv.], mega-hit ‘grote hit’ [1985; De Coster 1999].
Internationaal voorvoegsel, gebaseerd op Grieks mégas ‘groot’.
Grieks mégas (genitief megálou) is een erfwoord met verwanten in vele andere talen, onder andere de Germaanse: onl. mikil (zie onder); os. mikil (mnd. vero. mekel; in plaatsnamen: Mecklenburg); ohd. mihil (mhd. michel); oe. micel (ne. vero. mickle, Schots muckle; uit een nevenvorm muchel ontstond daarnaast ne. much ‘veel’); on. mikill (nzw. mycket ‘veel’); got. mikils; alle ‘groot, groots’, < pgm. *mekila-. Nederlandse attestaties zijn: onl. mikil [10e eeuw; W.Ps.], Mikulunhurst ‘Mekkelhorst (Overijssel)’ [eind 10e eeuw; Künzel], mnl. migel [1200; VMNW] en door rekking in open lettergreep mekel [1260-80; VMNW]. In het Middelnederlands was het woord al verouderd en kwam het alleen nog in poëzie voor.
Verder is Grieks mégas nog verwant met: Sanskrit máhi, mahā- ‘groot’ (zie → maharadja); Armeens mec ‘groot’; Hittitisch mekkiš ‘veel’; Tochaars A māk ‘veel’, Tochaars B māka ‘id.’; < pie. *meǵh2- (IEW 709).
Daarnaast staat een jongere Europese nevenvorm pie. *maǵ-, waaruit: Latijn magnus ‘groot, groots, oud, aanzienlijk’ (zie → magnaat), vergrotende trap māior < *maiiōs < *mag-iōs (zie → majoor), overtreffende trap maximus < *mag-isemo- (zie → maximum); Proto-Keltisch *mag-jo- (Middeliers maige ‘groot, aanzienlijk’), *mag-lo- (Middeliers mál ‘hoofd-, opper-’, Welsh mael ‘id.’); Albanees madh ‘groot’; en wellicht Litouws mãgulas ‘talrijk’. Deze vormen zijn ontstaan uit de nultrap *mg- (Schrijver 1991: 480-481).
De klassiek-Griekse combinatievorm van mégas is megalo-; in het Neolatijn en in de moderne talen is megalo- een variant van mega-, die slechts in een beperkt aantal wetenschappelijke termen voorkomt, bijv. nnl. megalographie ‘zeer groot schilderij’ [1824; Weiland]; bekend is vooral megalomaan ‘overtuigd van eigen grootheid’, bijv. in megalomane ... waan-voorstellingen ‘grootheidswaanvoorstellingen’ [1913; WNT expansief]. Ook mega- kwam in de moderne talen aanvankelijk alleen in wetenschappelijke termen voor, maar werd dankzij megafoon eind 19e eeuw bij een groot publiek bekend. In de 20e eeuw kwam daar het gebruik als voorvoegsel voor eenheden bij, zoals in megawatt ‘een miljoen watt’, megaton ‘eenheid voor explosieve kracht (die van een miljoen kilogram TNT)’. In computerterminologie betekent mega- ‘220 (= ca. één miljoen)’, zoals in megabyte. Ten slotte komt mega- in het algemene spraakgebruik sinds de jaren 1980 voor in de betekenis ‘zeer groot, abnormaal groot’; wrsch. is dat een leenbetekenis uit het Engels, waar de oudste attestaties van mega- in deze functie uit de jaren 1960 dateren (OED).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mega- [voorvoegsel ter aanduiding van grootheid] {in bv. megabar 1926-1950, megaster na 1950} < grieks megas [groot], verwant met latijn magnus, gotisch mikils [groot].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mega- (Grieks mega-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Mega- (Gr. μέγας (mégas) = groot). Eerste lid in samenstellingen met de namen van eenheden om het millioenvoud van die eenheden aan te geven.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

mega- (← Gr. ‘groot’), succesvol voorvoegsel dat via de wetenschap en de computerwereld — waar het ‘106’ betekent: megaherz, megabyte — algemene bekendheid heeft verworven, en dat zoveel is gaan betekenen als: ‘gigantisch groot’. Talrijke samenstellingen, zoals megahit, megaster, megatrend. → giga*.

Met deze band moet Jaap Eggermont in een verloren uurtje de mega-hit Simple Minds on 45 in elkaar kunnen zetten. (Oor, 02/11/85)
De manier waarop The Residents originaliteit, stringente geheimhouding van identiteit en mega-cultstatus combineren, karakteriseert hen als het perfecte voorbeeld van een groep die thuishoort in ’t Verdomhoekje. (Vinyl, november 1986)
Bij Golden Earring ligt dat anders, dat zijn geen megasterren, maar een beregoeie band met héél veel fans in Nederland en België. (Backstage, februari 1987)
US Gardens, een mega-tuttig maandblad over voor- en achtertuinen en over de nieuwste privé-zwembaden. (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)
De verwarring onder de Hollywood-bazen nam zeker niet af door films die wél megahits bleken. (Vrij Nederland, 04/08/90)
De Amerikaanse popgroep R.E.M. veranderde drie jaar geleden van typische cult-band in mega-act. (Het Parool, 23/03/91)
Het rapport noemt een aantal megatrends die bepalend zijn voor de toekomst van het geneesmiddel... (De Volkskrant, 16/04/93)
En terwijl ze uitgroeit tot een mega-ster, hoeft ze zich niets van critici, opdringerige fans of de roddelpers aan te trekken. (Elsevier, 06/12/96)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut