Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

monster - (proefstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

monster 2 zn. ‘proefje, staal van een product’
Mnl. monster ‘proef van een product’ in eenen monster utegheset ‘een staal (van graan) apart gezet’ [1337; MNW], monster ende tooch houden ‘producten voor inspectie en verkoop uitstallen’ [1449; MNW]; vnnl. naeder monstere ‘overeenstemmend met het monster’ [1500-36; MNW], met monsterken coorne ‘met een monstertje koren’ [1587; Stall.], monster, toonstuck, proefstuck [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans monstre ‘staal, proefstuk’ [1120; FEW], (Nieuwfrans montre, o.a. ‘proefstuk; uitstalling’), afleiding van Oudfrans monstrer ‘tonen, voorstellen als’ [ca. 1135; TLF], ouder mostrer ‘tonen’ [900-50; TLF], (Nieuwfrans montrer ‘tonen’) < Latijn monstrāre ‘tonen’, zie → demonstratie; monstrāre is een afleiding van mōnstrum ‘aanwijzing, voorteken’, zie → monster 1.
Monster ‘proef, specimen, voorbeeld’ zal zeker de oorspronkelijke betekenis zijn in de vaste verbinding een monster van ‘een toonbeeld of extreem voorbeeld van’, bijv. in een monster van geleerdheid [ca. 1648; WNT monster I], hoewel het WNT deze verbinding behandelt bij → monster 1 ‘gedrocht’. Uitdrukkingen als een monster van losbandigheid [1874; WNT toedienen], een monster van opzichtigheid (gezegd van een hoed) ‘een buitengewoon opzichtige hoed’ [1919; WNT tondeldoos] zijn overigens ongetwijfeld wel beïnvloed door de betekenis van monster ‘gedrocht, wanstaltig wezen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

monster1 [proefstuk] {1337} middelnederduits munster, engels muster < oudfrans monstre [idem], van monstrer (frans montrer) [tonen] < latijn monstrare [idem].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

monster

Men kent het woord monster in twee betekenissen: het is of een staal, model, voorbeeld of een afzichtelijk, gedrochtelijk schepsel. De vraag of de beide woorden met elkaar verwant zijn, moet bevestigend beantwoord worden, maar men moet ver teruggaan om die verwantschap vast te stellen. Monster in de betekenis staal komt regelrecht van het Latijnse werkwoord monstrare dat: tonen, wijzen betekende. Dit monstrare is op zijn beurt weer afkomstig van een ander werkwoord: monere dat betekende: opmerkzaam maken, waarschuwen. Van monere is monstrum afgeleid. Een monstrum is dus een waarschuwing, een voorteken, een wonderteken, en vandaar: een wonderlijke verschijning, een monsterlijk gedrocht.

Van monster: staal, voorbeeld komt het werkwoord monsteren: keuren, inspecteren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

monster 1 znw. o. ‘staal’, mnl. monster m. v., mnd. munster o. ‘monster, snit en kleur van kleren, versiering (bijv. aan tuig van vrachtpaarden)’, me. moustre (ne. muster) < ofra. monstre, gevormd bij lat. monstrāre ‘tonen’. Daarentegen gaat nhd. muster (ouder muster n., munstre v.), terug op ital. mostra ‘staal, monster’. — Zie ook: monsteren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

monster I (staal) znw.o., mnl. monster o.m.v. Evenals mnd. munster o. “monster, snit en kleur van kleeren, versiering (o.a. aan ’t tuig van vrachtpaarden)”, meng. moustre (eng. muster) uit ofr. monstre (nomen bij lat. monstrâre “toonen”). Denzelfden oorsprong heeft ’t gelijkluidende mnl. eng. woord in de bet. “monstering”. Hierbij weer ’t ww. mnl. monsteren (nnl. monsteren). mnd. munsteren “monsteren”. Nhd. muster o. is uit it. mostra (= ofr. monstre) ontleend. Hierbij weer mustern “monsteren”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

monster 1 o. (staal), , uit Ofra. monstre= = wat getoond wordt, ook het toonen, van Ofra. monstrer (thans montrer), Lat. monstrare = toonen, een afleid. van Lat. monstrum = monster 2 (z.d.w.). Vergel. Hgd. en Eng. muster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2monster s.nw.
Proef of staaltjie van iets wat as verteenwoordigend van die geheel se aard beskou word.
Uit Ndl. monster (al Mnl.). Eerste optekeninge in Afr. by Mansvelt (1884) in die afleiding monstertji en in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. monster uit Oudfrans monstre 'proefstuk' uit Latyn monstrare 'toon'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

monster ‘klooster’ (Latijn monasterium); ‘ondier’ (Frans monstre); ‘staal’ (Oudfrans monstre)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Monster (staal: „monster zonder waarde”), van ’t Oudfr. monstre = wat getoond wordt, van monstrer = toonen (nu montrer) en dit van ’t Lat. monstrare = toonen; vgl. ons monsteren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

monster ‘proefstuk, voorbeeld’ -> Deens mønster ‘voorbeeld, patroon’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors mønster ‘voorbeeld, patroon’; Zweeds mönster ‘proefstuk, voorbeeld’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch monster, moster ‘proefstuk, voorbeeld’; Javaans mostor ‘proefstuk, voorbeeld’; Papiaments mònster (ouder: monster) ‘proefwaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

monster proefstuk 1337 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut