Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

monster - (gedrocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

monster 1 zn. ‘gedrocht’
Mnl. eerst alleen in Latijnse vorm, in Monstrum seghet dat latijn, dat in Dietsche mach wonder sijn ‘Wat in het Nederlands een vreemdsoortig wezen is, noemt het Latijn monstrum’ [1276-1300; CG II], dan monster ‘gedrocht’ in in sinen woorden temmede hi de monstre ‘met zijn woorden bedwong hij de duivelse gedrochten’ [1348; MNW-P], ook in de vorm monstrum in dat hooft vanden monstrum metten hoornen ‘de kop van het monster met de hoorns’ [1462; MNW-P]; vnnl. monster ‘gedrochtelijk wezen’ in een schrickelijck monster [1598; WNT], ook ‘mens met gedrochtelijk uiterlijk of eigenschappen’ in eer monsters als menschen gelijck [1637; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans monstre ‘monsterlijk persoon’ [1165; TLF], ‘legendarisch wezen, gedrocht’ [1160; TLF], eerder ook al ‘wonder’ [1100-50; TLF], aan Latijn mōnstrum ‘waarschuwend voorteken, wonderbare gebeurtenis, wezen dat de wil der goden kenbaar maakt’ en vandaar ‘bovennatuurlijk wezen, gedrochtelijk wezen’; mōnstrum is, wrsch. via een ouder *monistrom, afgeleid van monēre ‘waarschuwen’, zie → monitor. Zie ook → monster 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

monster2 [gedrocht] {1285} < frans monstre [idem] < latijn monstrum [wonderteken, monster, gedrocht], van monēre [vermanen, waarschuwen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

monster

Men kent het woord monster in twee betekenissen: het is of een staal, model, voorbeeld of een afzichtelijk, gedrochtelijk schepsel. De vraag of de beide woorden met elkaar verwant zijn, moet bevestigend beantwoord worden, maar men moet ver teruggaan om die verwantschap vast te stellen. Monster in de betekenis staal komt regelrecht van het Latijnse werkwoord monstrare dat: tonen, wijzen betekende. Dit monstrare is op zijn beurt weer afkomstig van een ander werkwoord: monere dat betekende: opmerkzaam maken, waarschuwen. Van monere is monstrum afgeleid. Een monstrum is dus een waarschuwing, een voorteken, een wonderteken, en vandaar: een wonderlijke verschijning, een monsterlijk gedrocht.

Van monster: staal, voorbeeld komt het werkwoord monsteren: keuren, inspecteren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

monster 2 znw. o. ‘gedrocht’, mnl. monster (zelden) < fra. monstre > lat. monstrum.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

monster II (gedrocht) znw.o., mnl. (zeldzaam) monster o. Uit. fr. monstre of lat. monstrum. Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

monster 2 o. (gedrocht), uit Lat. monstrum = goddelijke verwittiging, iets bovennatuurlijks, een afleid. van monere = verwittigen (z. manen 3).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1monster s.nw.
1. Abnormale, afskuwelike, weersinwekkende, wrede en vreesaanjaende wese. 2. Iets of iemand wat soos 'n monster (1monster 1) optree.
Uit Ndl. monster (al Mnl. in bet. 1, 1637 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. by Mansvelt (1884) in die afleiding monstertji en in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. monster uit Fr. monstre 'monster' uit Latyn monstrum 'wonderteken, monster, gedrog', 'n afleiding van monēre 'waarsku, vermaan'.
Eng. monster (ongeveer 1300 in bet. 1).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

monster: lelijkaard; gedrocht; ook gebruikt voor een wreedaard. Soms voor een luiaard: lui monster.

Alleen door monsters en ouwe wijven werd ik bediend; alleen met monsters en ouwe wijven mocht ik de kennis aanhouwen. (Marcellus Emants, Mensen, 1920)
Hei, hallo! Boei! Walgelijk lui monster! Wa.. (Willy van der Heide, Dick Boei en de Bermbandieten, 1968)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

monster ‘klooster’ (Latijn monasterium); ‘ondier’ (Frans monstre); ‘staal’ (Oudfrans monstre)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Monster (gedrocht), van ’t Lat. monstrum, eveneens gedrocht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

monster ‘gedrocht’ -> Indonesisch monster ‘gedrocht’; Negerhollands monsta ‘gedrocht’; Papiaments mònster (ouder: monster) ‘gedrocht’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

monster gedrocht 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut