Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neuzelen - (door de neus praten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neuzelen* [door de neus praten] {nueselen na 1531} van neus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neuzelen ww. in de bet. ‘onduidelijk door de neus praten’ (Zuidnl.) een iteratieve afl. van neus, in de bet. ‘snuffelen, peuzelen’, reeds Kiliaen neuselen, een iteratief van neuzen. — Zie echter ook: nusselen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neuzele (ww.) treuzelen; Nuinederlands nueselen <1531-1540>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

neuzelen, ww.: treuzelen, talmen. Freq. van neuzen met de bet. ‘snuffelen’, vandaar ‘knoeien’, en ‘langzaam werken, talmen’. Vgl. D. nuseln, nüseln, nusseln, nüsseln, Ndd. nusseln, nüsseln ‘talmen, beuzelen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

neuzelen, ww.: prutsen, knoeien, zich met kleinigheden bezighouden. Wvl. neuzelen ook ‘nasaal spreken, snuffelen’. Vnnl. neuselen ‘mompelen’ (Kiliaan). Freq. afl. bij zn. neus. Vgl. D. näseln ‘nasaal spreken’, nuscheln ‘onduidelijk spreken’. De bet. ‘beuzelen’ wsch. via ‘snuffelen’, vgl. Vnnl. neuselen ‘snuffelen’ (Kiliaan). Vgl. Ndd. nösseln ‘langzaam werken’, D. nus(s)eln, nüs(s)eln, nuscheln, nüscheln, zowel ‘nasaal, onduidelijk spreken’ als ‘snuffelen’. Weijnen vermeldt evenwel een Gelders-Overijssels nuzen ‘doorsnuffelen’, dat hij in verband brengt met Ohd. niusen ‘proberen’, Oijsl. nysa ‘onderzoeken’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

neuzelen ww.: nasaal spreken. Vnnl. neuselen ‘mompelen’ (Kiliaan). Freq. afl. bij zn. neus. Vgl. D. näseln ‘nasaal spreken’, nuscheln ‘onduidelijk spreken’. De Vl. bet. ‘beuzelen’ wsch. via ‘snuffelen’, vgl. Vnnl. neuselen ‘snuffelen’ (Kiliaan). Vgl. D. nus(s)eln, nüs(s)eln, nuscheln, nüscheln, zowel ‘nasaal, onduidelijk spreken’ als ‘snuffelen’. Weijnen vermeldt evenwel een Gelders-Overijssels nuzen ‘doorsnuffelen’, dat hij in verband brengt met Ohd. niusen ‘proberen’, Oijsl. nysa ‘onderzoeken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

neuzelen (G, W), ww.: beuzelen, zich met nietigheden bezighouden. Wvl. neuzelen ook 'nasaal spreken, snuffelen'. Vnnl. neuselen 'mompelen' (Kiliaan). Freq. afl. bij zn. neus. Vgl. D. näseln 'nasaal spreken', nuscheln 'onduidelijk spreken'. De bet. 'beuzelen' wsch. via 'snuffelen', vgl. Vnnl. neuselen 'snuffelen' (Kiliaan). Vgl. D. nus(s)eln, nüs(s)eln, nuscheln, nüscheln, zowel 'nasaal, onduidelijk spreken' als 'snuffelen'. Weijnen vermeldt evenwel een Gelders-Overijssels nuzen 'doorsnuffelen', dat hij in verband brengt met Ohd. niusen 'proberen', Oijsl. nysa 'onderzoeken'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kneuzelen 2 (GG: Heule), ww.: mompelen, binnensmonds praten. Met expressieve kn-anlaut < neuselen ‘nasaal spreken’, freq. bij neus. Vgl. D. näseln.

neuzelen (D, DB), ww.: door de neus spreken, nasaal spreken (DB), fluisteren (D); beuzelen, zich met kleinigheden bezighouden. Vroegnnl. neuselen ‘mutire, mussitare’ (Kiliaan). Freq. bij zn. neuze ‘neus’. Vgl. D. näseln ‘nasaal spreken’, nuscheln ‘onduidelijk spreken’. De bet. ‘beuzelen’, wsch. via ‘snuffelen’, vgl. Vroegnnl. neuselen ‘naso sive rostro tacite scrutari’ (Kiliaan). Vgl. D. nus(s)eln, nüs(s)eln, nuscheln, nuscheln, zowel ‘nasaal, onduidelijk spreken’ als snuffelen’. Weijnen vermeldt evenwel een Gelders-Overijssels nuzen ‘doorsnuffelen’, dat hij in verband brengt met Ohd. niusen ‘proberen’, Oijsl. nysa ‘onderzoeken, Russisch njúchatj ‘snuffelen’. Samenst. neuzelwerk ‘klein klusje, makkelijk klein werkje’ (DB, GG: K), neuzelgerief (GG: K) ‘kleine spullen, prullen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neuzelen ‘door de neus praten; snuffelen’ -> Engels nuzzle ‘snuffelen; wroeten; zich nestelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

neuzelen* door de neus praten 1531-1540 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal