Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ont- - (meestal negatief voorvoegsel, zie onder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ont- voorv. ‘meestal negatief voorvoegsel, zie onder’
Onl. antfān ‘ontvangen, krijgen’ in mi antfieng forthora thin ‘uw rechterhand houdt mij vast’ [10e eeuw; W.Ps.], antsetten ‘vernietigen’ in antsette sia ‘vernietig ze’ [10e eeuw; W.Ps.], antgān ‘ontgaan, ontlopen’ in ik wolde in allon unt gan ‘ik wilde hun allen ontlopen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. ont-.
Onbeklemtoonde variant van het voorzetsel Proto-Germaanse *anda-, waarvoor zie → anti(-). De beklemtoonde vorm ant- is nog te vinden in het zn.antwoord.
Oorspronkelijk en in het algemeen worden met dit voorvoegsel werkwoorden afgeleid die een aspect van verwijdering, scheiding, ontneming of tegenstelling impliceren, zoals ontlopen, ontbinden, ontnemen, onthullen. Ook afleidingen van naamwoorden zijn mogelijk, bijvoorbeeld ontbossen, ontknopen, ontheiligen; in deze functie is het voorvoegsel licht productief. Een kleine, gesloten groep bestaat uit afleidingen waarin ont- het begin van een handeling aanduidt, zoals → ontbijten, ontbloten, ontbranden, ontstaan, ontvangen, ontwaken. Het Gotisch heeft hier in-, zoals in inbrannjan ‘doen ontbranden’, instandan ‘ontstaan’, dus misschien is hier in een vroeg (West-Germaans) stadium prefixsubstitutie opgetreden (zo ook Duits entbrennen, entstehen). Onduidelijk is de betekenis die het voorvoegsel toevoegt in bijv. ontbieden en ontgelden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ont-* [voorvoegsel voor scheiding, ontkenning, begin] {oudnederlands ant- in bv. antfengere [ontvanger] 901-1000, middelnederlands ont-} oudsaksisch and-, ant-, oudhoogduits ant-, int-, oudfries und-, unt-, ond-, ont-, oudengels on-, gotisch and-; dit voorvoegsel is identiek met ant- in antwoord, maar met ander vocalisme door zwakke klemtoon. In ww. die een begin van een handeling aangeven zoals ontbranden, ontkiemen is het vermoedelijk samengevallen met in-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ont- voorvoegsel ‘langs, naar toeʼ, ook ‘van ... wegʼ, mnl. ont-, onfrank. ant-, os. and-, ant-, ohd. ant-, int- (in-, unt-, vgl. nhd. ent-), ofri. und-, unt-, ond-, ont- (on-), oe. on-, on. got. and-. — Hetzelfde als het onder antwoord behandelde praefix ant- maar met verschillend vocalisme door de zwakke klemtoon.

Het is mogelijk, dat in enige samenstellingen dit ont- met in- is samengevallen en daarvan de bet. heeft overgenomen. Dit kan het geval zijn in ontbijten, ontbranden, ontstaan, zie ook: ontspringen. — Vgl. verder nog. J. Verdam Ts 19, 1901, 245-260.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ont- voorvoegsel, mnl. ont-. = onfr. ant-, ohd. ant-, int- (in-, unt-, nhd. ent-), os. and-, ant-, ofri. und-, unt-, ond-, ont-(on-), ags. on-, on. got. and-. Identisch met ant- in antwoord. Het afwijkende vocalisme ten gevolge van de zwakke betoning. Voor dgl. veranderingen vgl. of I en of II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ont-, is wsch. in sommige ww. met inchoatieve bet. als ontbranden (vgl. got. in-brannjan ‘in brand steken’), ontslapen, ontvlammen, samengevallen met in-. Hierop wijst wellicht de ohd. veel voorkomende vorm in-. Vgl. ook ontbijt Suppl. en ontwaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ont- praefix, Mnl. id. + Ohd. int (Mhd. ent, Nhd. id.), Ags. on + Osl. otŭ, Lit. at: het is de proklit. vorm van ant- (d.i. *and, met t uit d omdat het w. onbuigbaar is), Mnl. ant, Os. and + Ohd. ant (Mhd. en Nhd. id.), Ags. and (Eng. an-swer: z. antwoord), On. and, Go. and vóór een werkw., anda vóór een naamw. + Skr. anti, Gr. antí en ánte. Lat. ante, Lit. ant en anta; is een naamval van einde (z.d.w.). De bet. is tegen; in samenstelling = het tegengaan, beginnen, verwijderen, ontkennen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ont-, ’t zelfde als ant, ’t Lat. ante, dat tegen bet., vgl. antwoord; ontzag: tegen iemand opzien, hem vreezen; vgl. ’t Mnl.: „sie ontsagen sere den strijt”. Vandaar dat het ook een tegenover iets komen uitdrukt: bijv. ontmoeten (moeten was gaan), en verder een verwijdering van iets: ontloopen, ontsnappen (met een snap wegspringen); ontstaan: weg gaan staan, niet meer aanwezig zijn, ontbreken, bijv.: „Schoone nimf (Eenvoudigheid), ontsta mij niet” (Staring); hiervan ’t z.nw. ontstand = gebrek, waarvan ons: ontstentenis. Vervolgens: een wegneming (door de verwijdering): onthoofden, ontwapenen, enz.; in ontdekken en dergelijke geeft het feitelijk door de verwijdering een tegenstelling van ’t grondwoord te kennen: ontdekken: het tegengestelde van dekken. Zoo heeft het ook in ontberen tegenstellende kracht; beren (of baren) is nl. hier: dragen, bij zich hebben, dus ontberen is niet bij zich hebben, alzoo: missen. – Ont als verwijdering van iets, drukt ook uit, dat iets ergens uit komt en dit verlaat: ontspringen (van een rivier); ontvouwen (uit de vouwen doen of komen); ook: ontzetten (van schrik), eig.: uit zijn zit, gemakkelijke houding komen, als ’t ware opspringen; onthutsen (hutsen = schudden): uit zijn gewone doen geschud worden, nl. door een schokkende beweging of aandoening. In woorden als ontbranden, ontvlammen bet. ont, dat de brand juist uit een voorwerp begint te komen; vandaar dat ont ook het begin van werking uitdrukt: ontbijten: beginnen te bijten = eten; ontwaken: begin van wakker worden; ontginnen: aanvangen met ginnen, dat dr. Franck als ginnan (Got.; Ohd.) voor snijden, opensnijden houdt, en verwant is met een Voorgerm. wt. ghi= gapen, vgl. geeuwen; ontginnen bet. dan: aanvangen met het opensnijden van den grond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ont- ‘voorvoegsel in werkwoorden ter aanduiding van scheiding, ontkenning, begin’ -> Deens und- ‘voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors unn- ‘voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds und- ‘voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut