Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

orkest - (groep musici)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

orkest zn. ‘groep musici’
Nnl. orchestre ‘plaats in de schouwburg, concertzaal e.d. waar de musici zich bevinden’ [1765; WNT], orchestra ‘id.’ [1778; WNT], orchest, orkest ‘plaats van de musici, de gezamenlijke musici’ [1824; Weiland].
Ontleend, via Laatlatijn orchestra en vaak Frans orchestre ‘de gezamenlijke musici’ [1754; TLF], eerder al ‘plaats in het theater waar de musici zich bevinden’ [voor 1679; TLF], aan Grieks orkhḗstrā ‘plaats in het theater waar het koor van dansers optrad’, afgeleid van orcheĩsthai ‘dansen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

orkest [groep musici] {1765} < frans orchestre [idem] < latijn orchestra [de plaats voor de senatoren in het theater, stalles] < grieks orchèstra [dansplaats in het theater, de halfronde plaats vóór het proscenium voor de bewegingen van het koor], van orcheomai [ik dans]; het is dus de plaats tussen toneel en muziek, in later tijden de orkestbak en vandaar orkest.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

orkest znw. o., heette in ouder-nnl. nog orchestre uit het gelijknamige fra. woord (sedert 16de eeuw) < lat. gr. orchestra ‘dansplaats; halfronde plaats voor het toneel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

orkest znw. o., ouder-nnl. nog orchestre. Uit gr.-lat. orchestra, dat ook elders overgenomen werd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

orkest o., uit Fr. orchestre, van Gr. orkhḗstra van orkheῖsthai = dansen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

orkes (zn.) orkest; Nuinederlands orchestre <1765> < Frans orchestre.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

orkes s.nw.
1. Musikante wat instrumente saam bespeel, of die gesamentlike geluid wat hulle maak. 2. Die instrumente wat bespeel word.
Uit Ndl. orkest (1831 in bet. 1, 1857 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. orkest uit Fr. orchestre uit Latyn orchestra 'die senatore se plek in die teater' uit Grieks orchèstra 'plek waar die koor beweeg, halfronde plek voor die musikante en dirigent waar gedans word'.
D. Orchester (18de eeu), Eng. orchestra (1720).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

orkes: musikantegroep; Ndl. orkest (nog nie by Kil nie) vroeër nog orchestre, soos Eng. orchestra wsk. via Fr. orchestre uit Lat. orchestra, Gr. orχestra, “plek v. d. koor” (hou verb. m. Gr. orχeomai, “dans”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

orkest (Frans orchestre)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Orkest, van ’t Gr. orchestra (van orcheisthai = dansen), letterlijk: plaats op het tooneel, waar gedanst en gezongen wordt; thans: de muziek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

orkest ‘groep musici’ -> Indonesisch orkés ‘groep musici’; Boeginees orekêsé ‘groep musici’; Jakartaans-Maleis orkès ‘groep musici’; Madoerees korkes, orkes ‘groep musici’; Makassaars orokês, orokêsé, orkêsé, orkês ‘orkestje met blaas- en snaarinstrumenten’; Minangkabaus orkes ‘groep musici’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

orkest groep musici 1765 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal