Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oud - (niet jong, niet nieuw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

oud bn. ‘niet jong, niet nieuw, sinds lang bestaand’
Onl. in het toponiem Aldenselen ‘Oldenzaal (Overijssel)’ [893, kopie 1222; Künzel], Allerslahta ouaz niwa ande ald ‘allerlei fruit, nieuw en oud’ [ca. 1100; Will.]; mnl. out ‘van vroeger, niet nieuw, lang bestaand; niet jong’ in uan ouden tiden ‘sinds lang’ [1236; VMNW], jnden ouden waterganc ‘in de oude waterloop’ [1273; VMNW], En wiuekijn ... Out ende cranc ‘een oud en zwak vrouwtje’ [1265-70; VMNW]; vnnl. oud.
Ontstaan uit onl. alt op dezelfde wijze als → koud uit onl. kalt.
Os. ald (mnd. alt, olt); ohd. alt (nhd. alt); ofri. ald (nfri. âld); oe. eald, ald (ne. old); on. alleen in afleidingen (het gewone woord voor de stellende trap is gamall ‘oud’, zie → gammel), bijv. aldr ‘ouderdom’ (nzw. ålder ‘leeftijd’); Krim-Gotisch alt; < pgm. *alda-. Uit de vergrotende resp. overtreffende trap *alþiza-, *alþista- bovendien o.a.: on. ellri, ellztr ‘ouder, oudst’ (nzw. äldre, äldst). Daarnaast pgm. *alþ-ja-, waaruit got. alþeis ‘oud’. Het woord betekent oorspr. ‘(op)gegroeid’ en hoort bij het werkwoord pgm. *alan- ‘voeden, doen groeien’, waaruit: oe. alan ‘voeden’; on. ala ‘(op)voeden’ (nno. ale ‘fokken, telen’); got. alan ‘zich voeden, opgroeien’.
Verwant met: Latijn altus ‘hoog’ (< ‘opgegroeid’?; zie ook → alt), ad-ultus ‘volgroeid’; Grieks ánaltos ‘onverzadigbaar’ (met negatieprefix); < pie. *h2l-to-, *h2el-to- (IEW 26-27). De verbale betekenis (pgm. *alan-) is verwant met: Latijn alere ‘voeden, laten groeien’; Oudiers ailid ‘id.’.
aloud bn. ‘zeer oud’. Vnnl. d' aelouwde ‘de mensen uit de oudheid’ [1644; iWNT], de doorluchtige daden der aloude helden ‘... van de helden uit de oude tijden’ [1646; iWNT naamhaftig]. Gevormd uit → al als versterkende bijwoord en oud.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oud* [lang geleefd hebbend] {in de plaatsnaam Aldenselen, nu Oldenzaal (Overijssel) <893>, out 1236} oudsaksisch, oudfries ald, oudhoogduits alt, oudengels eald, gotisch alþeis, deelw. bij een in het nl. niet bewaard ww., vgl. oudnoors ala, gotisch alan [voeden]; buiten het germ. latijn alere (verl. deelw. altus) [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oud bnw., mnl. out, os. ald, ohd. alt, ofri. ald, oe. eald (ne. old), krimgot. alt, daarnaast andere formatie on. aldinn (vgl. got. usalþans ‘zwak door ouderdom’, eig. deelw.) en got. alþeis (waarover zie beneden). — Het woord betekent eigenlijk ‘volgroeid’ (vgl. lat. altus ‘hoog’, adultus ‘opgegroeid, volwassen’ en behoort bij het ww. on. ala ‘verwekken; voeden’, got. alan ‘groeien’, oe. alan ‘voeden’, vgl. lat. alō ‘voeden’, gr. άn-altos ‘onverzadigbaar’, nealḗs ‘opgewekt, sterk’, oiers alim ‘voeden’, toch. A ālym- ‘leven’ (IEW 26).

Het got. alþeis kan men opvatten als ontstaan uit *alþia, te vergelijken met oiers altae ‘opgevoed’. Brugmann PBB 43, 1919, 311 denkt dat het got. woord zich gericht heeft naar het woord niujis ‘nieuw’ (met þ uit de comparatief got. alþiza, vgl. mnd. elder, ohd. eltiro, oe. ieldra, on. ellri). — Het schijnt dat wij deze flectie nog kunnen terugvinden in de plaatsnaam Elspeet < Eldenspēte (tegenover Nunspeet < Nūwenspēte, waarvoor zie W. de Vries Ts 32, 1913, 271).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oud bnw., mnl. out (d). = ohd. (nhd.) alt, os. ofri. ald, ags. eald (eng. old) “oud”, uit idg. *al-tó-. Krimgot. alt “id” is wellicht dezelfde vorm, maar got. alþeis “id.” gaat op idg. *ál-tio- terug. Eveneens met þ de comparatief got. alþiza, on. ellri (: positief aldinn). Idg. *al-tó, *ál-tio- zijn participia van de basis al-, waarvan got. alan “opgroeien”, on. ala “voeden, voortbrengen, verwekken”, ier. alim “ik voed”, lat. alo “ik voed, breng groot”, gr. al-daínō “ik sterk, laat groeien”, oi. (íḍâ - “lafenis”. De deelw.-vorm *altó- ook elders: lat. altus “hoog” — in bet. vgl. met oud veeleer lat. adultus “volwassen” bij ad-ol-escere “opgroeien” —, gr. án-altos “onverzadiglijk”, ier. alt “hoogte, oever, kust”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oud. Brugmann veronderstelt (het laatst PBB. 43, 311), dat got. alþeis zich, evenals faírneis ‘oud’, in flexie naar niujis ‘nieuw’ heeft gericht (de þ dan naar de comparatief). — Dezelfde flexie schijnt ook in het Wgerm. bestaan te hebben blijkens Elspeet < *Elden-spēte (tegenover Nunspeet < *Nûwen-spēte): W. de Vries Tschr. 32, 271.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oud bijv., Mnl. out, Os. ald + Ohd. alt (Mhd. en Nhd. id.), Ags. eald (Eng. old), Ofri. ald, Go. alþeis (met Idg. suff. -i̯os): een partic. afleid. gelijk koud, dood, luid, van *alen = groeien + On. ala, Go. alan + Lat. alere, Oier. alim: vergel. Lat. ultus in ad-ultus = opgegroeid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aajd (bn.) oud; Aajdnederlands ald <893>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oud b.nw. (slegs pred.)
1. Wat vir 'n relatief lang tyd bestaan. 2. Wat vir 'n gespesifiseerde tydperk bestaan het.
Uit Ndl. oud (al Mnl.). Vir die pred. vorm oud teenoor die attr. vorm ou, vgl. 1ou.

1ou b.nw. (slegs attr.)
1. Wat vir 'n relatief lang tyd bestaan. 2. (gewoonlik as deel van 'n aanspreekvorm, en dikw. met 'n verbleekte betekeniswaarde) Wat met 'n emosie soos liefde, bejammering, irritasie, afkeer of vertedering bejeën word.
Uit Ndl. ou. Volgens die WNT bestaan daar naas die verboë vorm oude (ook ouwe, dus met uitval van die intervokaliese d) die verkorte vorm ou. Soos ook in die geval van nuwe en nuut kan daar nie uitgemaak word of, en waar, in Ndl. vroeër 'n onderskeid gemaak is tussen 'n attr. en 'n pred. vorm soos wel in Afr. nie. Bet. 2 word deur sowel Pannevis (1880) as Mansvelt (1884) vermeld wat die gebruik onderskeidelik 'opmerkelyk en byzonder menigvuldig' en 'veelzijdig' noem. Dit is egter ook in Ndl. 'in gemeenzame taal' bekend, o.a. al by Bredero (1622) (WNT).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1946 in bet. 1, 1905 in bet. 2).
Vgl. oud.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

oud: oud op nieuw, oud en nieuw, Oudejaarsavond. Enfin brada [S, broeder], dus dit jaar zullen wij een rustige jaarwisseling hebben. Ook de fuiven* van oud op nieuw zullen denk ik niet georganiseerd worden (WS 1-1-1983).
— : oude politiek (de), het parlementaire systeem zoals dat in Suriname functioneerde tot 25 februari 1980, toen het omvergeworpen werd. De oude politiek van neokolonialisme, korruptie, regelarij*, fraude en bedrog heeft op 25 februari en daarna zware slagen gekregen (Sur.Bull. 11 (3): 2; 1980). - Etym.: De term is in gebr. sedert genoemde datum.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ou I: attr. vorm v. b.nw. oud (q.v.), soms ook oue, maar nog dagoud kuiken, jaaroud lam, ens.

ou III: s.nw., mv. ouens, jonger wd. as ou II en wsk. daaruit ontw.; van enigiemand (van watter leeftyd ook al) gesê wat min of meer ’n “maat” is en wsk. uit leerlt. en studt.

oud: nie jonk nie, pred. vorm; Ndl. oud (Mnl. out), Hd. alt, Eng. old, hou verb. m. Lat. altus, “hoog, lank”, ouer bet. blb. “op-/uitgegroei, volwasse”; v. ook wêreld, asook ou I.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Oudere jongeren

Op 10 november 1985 besloot Koos Koets dat het zo niet langer ging. Koos was 36, hij was cool, maar hij merkte dat er met mensen zoals hij onvoldoende rekening werd gehouden. Daarom maakte hij een aanplakbiljet waarop stond:

Oproep
Aan alle
Oudere jongeren
Vindt jij ook
Dat er wat
Moet gebeuren?
Neem dan kontakt op met
Koos Koets
Bavinkstraat 7 Juinen.

Koos kreeg vrijwel meteen bijval van Robbie Kerkhof, een schitterend typetje van Wim de Bie. Robbie, een hyperbeweeglijke jongen met een soldatenjas en een gebit als een kerkhof, voelde zich onmiddellijk aangesproken door de term oudere jongeren. Ook hij is 36, en samen richten ze de stichting Morekop op, om activiteiten voor oudere jongeren te gaan organiseren.

Het symbool van de stichting is een grote plastic moorkop die ze even van een banketbakker mochten lenen, maar de naam moet worden uitgelegd als: more (het Engelse ‘meer’) in het koppie. Méér dan jongere jongeren, van wie ze zich willen onderscheiden. Op het laatst stelt Koos voor om als motto op het briefpapier van de stichting de bekende openingszin van Nescio’s Titaantjes ‘jongens waren we — maar aardige jongens’ te veranderen in ‘jongens zijn we, maar aardige oudere jongens’. Dit maakt meteen duidelijk door wie Van Kooten en De Bie zich lieten inspireren (én het verklaart het adres van Koos in Juinen, want Bavink is een van de hoofdpersonen in Titaantjes).

Het filmpje over de oudere jongeren maakte veel indruk. De volgende dag schreef Leonard Ornstein in de nrc: ‘Ook Koot en Bie’s nieuwste creatie “oudere jongeren” (36-plussers) mag wat mij betreft terugkomen. Koos Koets en Robbie Kerkhof van de Stichting Morekop maakten althans overtuigend duidelijk dat er iets voor deze groep moet gebeuren. Want het leven valt niet mee als je altijd jong wilt blijven, nog lange haren hebt en te oud bent voor het CJP, maar te jong voor de 65-plus kaart.’

Ook elders werd het probleem serieuzer genomen dan Van Kooten en De Bie zullen hebben voorzien. Zo werd in Wormerveer een paar maanden later een avond voor oudere jongeren georganiseerd. De plaatselijke krant schreef hierover: ‘Natuurlijk kon men er op wachten na de introductie door Van Kooten en De Bie. “Ons Huis” te Wormerveer start een “oudere jongeren”-groep, voor gezellige avonden waar tijd is om andere mensen te ontmoeten, muziek te draaien en te praten over dingen die je bezig houden.’ Frits Spits gebruikte de aanduiding op de radio, en de Amsterdamse politie liet weten oudere jongeren te willen werven.

Voor Koos Koets en Robbie Kerkhof was er dus alle reden om terug te komen. Zij deden dat in april 1986 met een korte film waarin ook zíj een avond voor oudere jongeren organiseerden. Koos liet trots enkele knipsels zien waaruit bleek dat de aanduiding oudere jongeren inmiddels algemeen werd gebruikt.

Uit die knipsels bleek ook dat er nogal wat onduidelijkheid bestond over de exacte leeftijd van de oudere jongeren. Koos en Robbie waren allebei 36, maar volgens hen waren oudere jongeren ‘ergens boven de 25’. Dat zeiden ze tenminste in de eerste uitzending. Maar in november 1986 werd dit bijgesteld. De vpro-gids plaatste toen een gefingeerd vraaggesprek van Koos en Robbie met doctorandus Van Velzen. Van Velzen had vastgesteld dat er veel misverstanden heersten over de term oudere jongeren. Hij wilde dat rechtzetten in zijn proefschrift Een Socio-Numerologiese Poging Tot Nominale Indexatie Van Leeftijden Binnen Het Koninkrijk der Nederlanden. Volgens hem moesten kinderen van 0 tot 10 jaar jongste jongeren worden genoemd. Daarna volgden:

10 tot 20 jongere jongeren
20 tot 30 gewone jongeren
30 tot 40 oudere jongeren
40 tot 50 oudste jongeren of jongste ouderen
50 tot 60 jongere ouderen
60 tot 70 gewone ouderen
80 tot 90 oudste ouderen
90 tot 100 oudste oudsten.

Helaas, het baanbrekende werk van Van Velzen heeft niet mogen baten, want de kranten maken er nog altijd een potje van. Alleen al in 1998 is oudere jongeren gebruikt voor jongeren ‘van vijftien tot negentien’, ‘van achttien tot vijfentwintig’, ‘tot vijfentwintig’, ‘boven de vijfentwintig’, ‘van vijfentwintig tot veertig jaar’ en voor jongeren ‘van dertig tot veertig jaar’. Let wel: het ging hier om serieuze berichten, waarin oudere jongeren als een algemeen erkend sociologisch begrip werd opgevoerd (zo schreef Het Parool bijvoorbeeld ‘In de categorie oudere jongeren (tot 25 jaar) springen vooral de Antillianen er uit met criminaliteit’). Voor woordenboekmakers is dit iets om gek van te worden en dat kan de reden zijn dat de Grote Van Dale oudere jongeren zonder enige toelichting heeft opgenomen. Elders wordt oudere jongere verklaard als ‘veertiger die zichzelf nog steeds als jong beschouwt’.

Marcel van Dam, Wim Deetman, Ed van Thijn, Jos van Kemenade, Wim Meijer, Jo Ritzen, Bram Peper en ‘de vele strategen van de PvdA’ zijn in het verleden oudere jongeren genoemd, Paradiso is aangeduid als ‘een poptent voor oudere jongeren’ en er is melding gemaakt van enkele bijzondere categorieën, zoals ‘kortgebroekte Scandinavische oudere jongeren’, ‘rijke oudere jongeren’ en ‘Surinaamse oudere jongeren in de Amsterdamse Bijlmer’. De humor van Mart Smeets en Kees Jansma in Studio Sport is wel ‘oudere jongeren-humor’ genoemd.

De eerste avond voor oudere jongeren van de stichting Morekop liep uit op een fiasco. De hele, eenmalige subsidie van wethouding Hekking ging op aan een keyboard. Dat werd gestolen en er kwam bijna niemand opdagen. Daarom stelde Robbie aan het eind voor om een nieuwe stichting in het leven te roepen, de stichting Theemuts, om activiteiten te gaan organiseren voor jongere ouderen: bejaarden die nog jong van hart zijn. ‘Dan zijn wij een keer de jongste’, aldus Robbie. Opmerkelijk genoeg kom je ook díe aanduiding nog zeer geregeld tegen, soms in combinatie met oudere jongeren, maar vaker zelfstandig.

Ook wat dit betreft maken de kranten er overigens een potje van: zij gebruiken de aanduiding — met dezelfde schijnexactheid — voor ‘dertigers en veertigers’, voor ‘mensen tussen de 55 en 62’ en voor ouderen van ‘55 tot 65’. Het Dagblad de Limburger maakte het het bontst: medio september 1997 schreef deze krant: ‘Het selecte groepje jongere ouderen, variërend in leeftijd van 58 tot 75 jaar, inspecteert steevast voor elke thuiswedstrijd de Kepelse grasmat zeer nauwgezet’. En precies tien dagen later: ‘Jongere ouderen (65 tot en met 74 jaar) hebben door de decennia heen iets meer te verteren.’

Het zal duidelijk zijn: het wordt hoog tijd dat doctorandus Van Velzen zijn proefschrift afrondt.

Zie ook Koos Koets en krasse knarren.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

oude In 1847 voor het eerst aangetroffen, in de uitdrukking een oude nemen voor ‘een ouderwetse, stevige borrel drinken’. Sinds het begin van deze eeuw wordt oude gebruikt voor ‘oude jenever’. Die naam ontstond als verkorting uit oude klare of oude jenever. Oude klare is in 1899 voor het eerst gevonden, en in 1900 door Henri Hartog gebruikt in Sjofelen:

Tegen de kastelein zei ze, dat de Brakel d’r pa was. Ze dronk een glaasje advokaat, en de Brakel wipte voor de toonbank met twee handig geslikte teugen een glas ouwe klare naar binnen.

Een gangbaar misverstand is dat oude jenever ouder is dan jonge jenever. Het tegendeel is waar: oude jenever is nieuwe jenever waaraan tijdens het productieproces moutwijn en soms caramel is toegevoegd. Daardoor maakt hij een rijpere, meer belegen indruk, zonder ergens jaren in het vat te hebben gelegen. Oude jenever staat onder allerlei koosnaampjes bekend, zoals oudje, ouwe jongen, ouwe knar, ouwe snik, ouwe taaie en ouwetje. Over deze laatste borrelnaam schreef een informant uit Amsterdam:

Mijn man vraagt altijd om een ouwetje. Het ligt dan aan de leeftijd van de ober, hoe gauw ze dat snappen. Vooral als aperitief in een ‘beter’ restaurant.

Met ouwe met wordt ‘oude jenever met suiker’ bedoeld. Kees Stip gebruikte die benaming in 1943 in het gedicht Dieuwertje Diekema:

Dieuwertje vroeg wat hij wou drinken,
en er was een glimlach om haar mond:
Oude of jonge met of zonder,
of Oranjebitter met een klont?

En in 1995 schreef Hannes Meinkema in een verhalenbundel:

‘Sorry, ik heb me bedacht’ zei Inge. ‘Mag het nog?’
‘Twee oudjes’, zei ze alvast maar.
‘Nee, voor mij tonic’, zei Inge tegen haar. ‘Anders gaat ’t te hard, ik moet nog naar huis fietsen.’ Dus kwam hij terug met twee oudjes voor haar, een tonic voor Inge en een bier voor zichzelf.

Vergelijk jonge.

[Kingmans 77; Mag. Ned. Taalk. 1:35; WNT VII2 3496, & XI 120, 1530; Wschat 869]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oud (Os. ald) behoort tot de familie van ’t Got. alan = opgroeien, en is feitelijk een deelw. op d, dus: opgegroeid. – Zie ook: Wereld.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oud ‘reeds lang bestaand; lang geleefd hebbend’ -> Negerhollands oud, ouw, houw, hou ‘reeds lang bestaand; lang geleefd hebbend’; Berbice-Nederlands hau ‘reeds lang bestaand; lang geleefd hebbend’; Skepi-Nederlands ou ‘reeds lang bestaand; lang geleefd hebbend’; Sranantongo owru ‘reeds lang bestaand, bejaard; ouder worden; oudje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oud* reeds lang bestaand, lang geleefd hebbend 0893 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1734. Zoo oud als Methusalem,

d.w.z. zeer oud, daar volgens het bijbelsche verhaal Methusalem (Methusalach) een ouderdom bereikte van 969 jaren. Vgl. Genesis 5, vs. 57. Voor de 16de eeuw vgl. Servilius, 174*: Hy leeft alsoe lange als Mathusalem. Zie verder Brieven v. B. Wolff, 148: 't Is hoog nodig dat gy zo oud word als Methusalem; Villiers, 94. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 426: Zoo oud als Mathuzalem, zeer oud; Antw. Idiot, 1890. In vele talen komt deze vergelijking voor; zie Wander I, 53; V, 734.

1957. Een oude rot in de val.

Dit wordt gezegd als een slim, geslepen (soms bedriegelijk), ervaren mensch er inloopt, verschalkt wordt. Vgl. Spieghel, 272: De oude rot wil niet in de val; verder Wìnschooten, 322: daar is een ouwe rot in de val; Gew. Weeuw. III, 25; Paffenr. 89; Van Effen, Spect. III, 49; IX, 209; V. Janus, 351; Tuinman I, 245; Halma, 600: Daar is een oude rot in de val, daar is een oud man aardig bedroogen; fri.: in âlde rôt yn 'e falle (of stap); hd. eine alte Ratte in der Falle haben.

300. Men moet geen oude boomen verzetten (of verplanten).

Eigenlijk van boomen gezegd, die oud geworden reeds diep wortel geschoten hebben, en die bij verplaatsing niet kunnen aarden en doodgaan. Overdrachtelijk toegepast op oude menschen, die lang ergens gewoond hebben en dan moeten verhuizen. Dikwijls kunnen zij niet gewennen in hun nieuwe woonplaats, beginnen te sukkelen en sterven spoedig. Zie Sart. I, 5 I: Annosam arborem transplantare, oude boomen verplanten; Vondel, Leeuwendalers, 442; Smetius, 264: Wanneer oude boomen verplant werden so gaense lichtelyck uyt; De Brune, 380:

 Een boom die dickwils wert verplant
 En vat niet licht, maer wert tot schand.

Vgl. verder Erasmus, no. CCII en CCVI: Annosa arbor non transplantatur; Harreb. I, 78 a; III, 138 a; Ndl. Wdb. III, 407; Waasch Idiot. 133: Oude boomen willen niet verplant worden; Rutten, 278; Antw. Idiot. 1948, waar ook geciteerd wordt: een oud peerd wilt niet verstald worden; Teirl. 197; Wander I, 273. Vgl. fri. alde beamen litte hjar net maklik forplantsje; gron. 'n olle boom let zok nijt goud verpoten (Molema, 448); hd. alte Bäume sind schwer zu verpflanzen; eng. remove an old tree, and it will wither to death; ndd. en allen Baum lätt sik nit op'ne annere Stîe setten of wenn olde Bômen umplant werden, so gân se ût.

355. De oudste brieven hebben,

d.w.z. het meest aanspraak op iets hebben. Brief heeft hier nog de bet. van document, schriftelijk bewijs ‘houdende last of opdracht of ook verleening van eenig voorrecht of gunst aan een bepaald persoon’; Ndl. Wdb. III, 1323. Vgl. bij Racer, III, 158: Die olste brieven hebben; Sart. II, 10, 92: Hy heeft d'oudtste brieven; Van Lummel, 408: Sy heeft d'outste brieven; Huygens IV, 242; Brederoo III, 241, 27; M. Wagen, 135 en vgl. Hooft, Brieven, 168: Joffrouw Tol, die uit zoo ouwde brieven op mijn huysvrouwe te spreeken heeft, dat men haar zal moeten voldoen; Tuinman I, 237. Ook in het fri. de âldste brieven ha; hd. die ältesten Briefe haben (Wander I, 464); Eckart 61; Taalgids IV, 260.

472. Uit de oude doos,

d.w.z. van vroeger tijd; verouderd. Zoo spreekt men van een liedje, een tooneelstuk uit de oude doos; eigenlijk een liedje of een stuk genomen uit de doos, waarin men dergelijke dingen lang geleden heeft opgeborgen. Bij Van Effen, Spectator IV, 201 is sprake van een deuntje uit de beste doos. Zie Harrebomée I, 148 b. Vgl. C. Wildsch. III, 265: Wat zeg je daar, Bethje? dat een edelmans hond in een boer zijn koornland mag omloopen en alles bederven, zonder dat de boer een kik durft geeven? nu, dat is er weêr een uit de ouwe doos! Nederland, 1914, II, 13: Wij zijn niet zoo uit de oude doos; fri. ut 'e âlde doas.

994. Op oud ijs vriest het licht.

‘Dat wil zeggen, daar noch eenig overblyfzel, en geschiktheid tot iets is, kan dat lichtelyk weder opgewekt en hervat worden. By voorbeeld, een vonkje van oude liefde, haat, enz.’ (Tuinman, II, 60). Bij Campen, 45 vinden we vermeld: op oldt ys vriestet lichtelick weder (Spreuken, 22), dat in beteekenis overeenkomt met oude veete lichtelick verniewt, l'eaue une fois eschauffee prend plutost la gelee (Goedthals, 89). Zie verder Spieghel, 280; Smetius, 50: Op een oud ijs rimpelt het lichtelijck; 36: Het vriest licht op een oud ijs, facile recalefacit qui ante caluit amor; 13: Op een doey ysken vriest het licht; Cats I, 537: Het rijpt haest op een out ijs; C. Wildsch. VI, 239; Harreb. I, 539; Zondagsbl. v.h. Volk 1905 p. 160: Toen zwolgen ze jenever. ‘Op oud ijs vriest het licht’ en Kees had 'm al heel gauw weer staan. In het Friesch: op âld iis friest it fûl (fel); as 't op âld iis friest, is 't gau sterk, wordt eene afgebroken vrijerij op nieuw aangeknoopt, dan volgt het huwelijk spoedig; oostfri.: up old is friist 't licht (Eckart, 97); Joos, 205: op oud ijs rijmt (of vriest) het licht. Syn. is: eens gebrand haast gevlamd; vgl. Goedthals, 122: ghebluschten brant ontsteect saen; Wander II, 748: angebrannt Holz geht bald wieder an, von verwitweten Personen.

1391. Het oude (of zelfde) liedje,

d.w.z. dezelfde (onaangename) geschiedenis, dezelfde bekende zaak; lat. cantilenam eandem canere; hd. es ist immer das alte Lied, die alte Leier, Geige; fr. chanter toujours la même chanson, le même turelure; eng. it is the same (or the old) song over again. Vgl. Anna Bijns, N. Refr. 108: Eest ende quaedt, zoo eest al quaedt, dits doude liedt; Vondel, Jos. in Dothan, vs. 1133; Antw. Idiot. 1872: 't Is altijd hetzelfde lieken; enz. Vrij gewoon was ook het oude deuntje (Sart. I, 3, 69; Brederoo I, 64; II, 161) of de oude zang (Vondel V, 85; Langendijk II, 198); fri.: it âlde lietsje of de âlde sang; Afrik. altyd die ou liedjie sing. In het Haspengouwsch: het oude lieken van Brabant, iets dat men om zijne veelvuldige herhaling afkeurt (Rutten, 132 b). Hiernaast dat is een ander liedje; fr. voilà bien une autre chanson; hd. das ist ein ander Lied, zuidndl. dat es 'n ander lieken, dat is (heel) wat anders (vgl. Brederoo III, 85, 66: Wy sullen nu een reys een ander Lietgen leeren) of een ander gezang zingen (in Kluchtspel I, 147); Afrik. iemand 'n ander liedjie laat sing.

1735. Zoo oud als de weg van Rome (of Kralingen),

d.w.z. zeer oud. In de 16de en 17de eeuw zeide men zoo oud als de weg, dat we lezen bij Sartorius II, 9, 16: Soo oudt als de wegh, de re nimium prisca et obsoleta. Ook bij Van Effen, Spect. X, 136 wordt de uitdr. in dezen vorm aangetroffen, evenals bij Tuinman I, 316 met de verklaring: ‘Gebouwen worden puinhoopen door den tyd, andere dingen vergaan, maar de weg blyft liggen, schoon zy lang betreden is van wandelaars, die voorby zyn. Dit is dan een uitdrukking van eene groote oudheid’. Later schijnt dus van Rome, Kralingen (dit reeds in de 17de eeuwTaal en Letteren XIII, 42. Zie ook G. van Loon, Aloude Hollandsche Histori, 1734, I, p. 181: Het is zoo oud als de weg van Kralinge.), van Jacatra (in het Amsterdamsch dial.) of in Limburg naar Aken, naar Keulen (Jongeneel, 87; Breuls, 94: Zoe aaid wie de weeg van Aoke, wie de Maosbruk), hieraan toegevoegd te zijn, voor welke meening pleit het Zuidnederl. straatoud, zoo oud als de straat, de oude heirweg (Joos, 26). Ook in Friesland: sa âld as de wei (fen Romen of Jeruzelim); Afrik. so oud as die wapad, as die Kaapse pad (Boshoff, 335); fr. vieux comme les chemins, les rues; comme le pont de Rouen; eng. as old as the hills; nd. so alt wie der bremer Wald. Zie voor allerlei synonieme zegswijzen Wander I, 52; V, 734 vlgg.

1987. Oude (of dure) schepen blijven aan land,

d.w.z. oude of al te veel eischende meisjes blijven thuis, ongetrouwd. Zie Winschooten, 233: Duure schepen blijven aan land: het welk oneigendlijk beteekend, dat juffertjes, die haar waar al te seer op geld houden, daarom somtijds ongetrouwd blijven’. Zie Campen, 32: die duyrste schepen liggen langest an lande; De Brune, 493; Cats I, 470: ‘Dan nogh soo gebeurt het veel, dat duyre schippers veeltijts aen lant blijven’, dat op gelijke lijn staat met ‘trotsende schoonheden en trecken geen herten’; Halma, 569: De oude schepen blijven aan land, al te spijtige vrijsters blijven zonder man zitten; Harreb. II, 5 b; III, 273 b; Van Eijk I, 120; Eckart, 457: dür schäp stähn an 't Land; hd. teure Schiffe bleiben am Rande; in het Schotsch: a dear ship stands lang i' the haven (Prick).

2011. Men moet geen oude schoenen verwerpen, voordat men nieuwe heeft,

d.w.z. men offere niet iets op, voordat men weet iets anders en beters er voor in de plaats te krijgen. Zie Spieghel, 273; Cats I, 493 en 502:

 Al hebt gy schoon versleten schoen,
 En wilt se nimmer van u doen:
 Maer hout se tot gy beter siet,
 Of anders, vrient! u naeckt verdriet.

Zie verder Winschooten, 358; De Brune, 381: Gheen oude schoenen wegh en smijt, of hebt eerst nieuwe, voor dien tijd; Tuinman I, 165; C. Wildsch. I, 237; Harrebomée II, 255 a; Ndl. Wdb. XI, 1532; Afrik. moenie ou skoene weggooi voor jy nuwes het nie; Wander IV, 353; Grimm IX, 1849 en vgl. De Bo, 998 a: gooi uw oude schoe'n op strate niet, eer gij er nieuwe hebt; Joos, 193; Antw. Idiot. 2019. In het Friesch zegt men: min moat gjin âlde planke út 'e wân skoerre ear 't min der in nijen-ien for klear het naast min moat gjin âlde skoen weismite ear 't min nije het.

2173. Van den ouden stempel,

d.w.z. van het oude soort (met het denkbeeld van goed, braaf; eig. gezegd van munten); eng. of the old stamp; hd. vom alten guten Schlage; vom alten Schrot und Korn. Vgl. Kiliaen: Stempel, forma, typus, typus monetalis; type, dat ook eig. slag beteekent, evenals slag, soort, eig. muntslag (Kil. slagh van de munteSp. Hist. III5 17, 31; 33; vgl. lat. Sen. Ben. 3, 35, 1: Quaedam ex nostra, ut ita dicam, moneta proferri; Symmach. Ep. 3, 11, 2: Spectator tibi veteris monetae solus supersum (Journal, 129).). In Zuid-Nederland zegt men: van den ouden stempel, - bak, - eed, - mode, - zift; zie Schuerm. Bijv. 18 a; Waasch Idiot. 628 b; fri. in man fel de âlde stimpel.

2440. Een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep

d.i. men hoort en doet nog gaarne hetgeen ons in de jeugd het meest bezig hield of vermaakte; ‘een afgeleefde liefhebber van de vrouwen hoort nog gaarne over de sekse en het minvermaak spreken’ (Weiland). Vgl. Campen, 127: Een olt Voerman hoert noch het knappen van der sweepen geerne; Sart. III, 3, 97: Een out wagenaer hoort noch geern het klappen van de sweep ter verklaring van lupus pilum mutat non mentem; III, 8, 87; Cats, I, 537: Een out voerman hoort gaerne 't geklap van de sweep:

 Men vint 'er overal die in hun oude jaren
 Nogh even zijn gemoet dan zy te voren waren;
 Men siet dat hun de jeught nogh in de leden rijt,
 Al is haer kranck gestel verwonnen van den tijt.

Westerbaen II, 660; Coster, 524, vs. 883; Brederoo I, 230, vs. 465: Ick slacht de ouwe wagenaers, ick hoor gaeren 't clappen van de swiep; II, 204, vs. 1498; R. Ansloo, 297; Asselijn, 302; Van Effen, Spect. III, 64: Men zoende lustig aan beide kanten, 't geen my niet kwalyk aanstond volgens het bekende spreekwoord, dat oude voerluiden nog graag het klappen van de zweep horen; Sewel, 901; Halma, 266: Een oud voerman hoort nog gaerne het klappen van de zweep, proverbe burlesque qui signifie, qu'un vieillard qui n'est plus en état de caresser une femme, en parle encore souvent avec plaisir; Tuinman I, 161; Harrebomée II, 395 b; fri. alde foerljue hearre graech it klappen fen 'e swipe; Joos, 140; Waasch Idiot. 772. Syn. was een out jager hoort gaerne van de weyery; zie Mergh, 23; Cats I, 537, waar gewezen wordt op het fr. il souvient toujours Robin de ses flûtes; en vgl. geen smid zoo oud of hij vraagt nog gaarne naar ijzer en kolen (Harreb. I, 360); een oude bok (of geit) lust nog wel een groen blaadje, gezegd van een ouden snoeper (zie o.a. Menschenw. 13; Nederland, Juni 1914, p. 159); syn. oude katten lusten ook melk (Harreb. II, 77); hd. alte Ziegen lecken auch gerne Salz; eng. an old hunter loves to talk of game. (Aanv.) De zegswijze ‘een oud paard hoort graag het klappen van de zweep’, die nu en dan ook gehoord wordt, is een verbastering.,

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

al-2 ‘wachsen; wachsen machen, nähren’

Ai. an-ala- ‘Feuer’ (‘das Unersättliche’, W. Schulze KZ. 45, 306 = Kl. Schr. 216);
gr. νεᾱλής ‘munter, stark’ (νέος + al-; über φυταλιή s. unten);
lat. alō, -ere, -ul, -itum ‘nähren, großziehen’; alēscere ‘heranwachsen, gedeihen’, coalēscere ‘zusammenwachsen’, adolēscere ‘heranwachsen’ (adultus ‘erwachsen’), abolēscere ‘vergehen’ (dazu scheint aboleō, -ēre ‘vernichten, vertilgen’ als Transitivum neugebildet zu sein, z. T. nach (ad)augēscō : (ad)augeō, besonders aber nach dem bedeutungsgleichen dēlēvī, dēleō; der Anklang an ὄλλυμι, ἀπόλλυμι ware dann trügerisch; anders WH. I 4), indolēs ‘natürliche Anlage’, subolēs ‘Nachwuchs, Nachkommenschaft, Sproß’, prōles (*pro-olēs) ‘Sprößling, Nachkomme’ (davon prōlētārius; diese drei mit o aus a vor dunklem l, nicht mit idg. o-Ablaut, wie Hirt Abl. 162 annimmt); alimentum ‘Nahrung’, alimōnia, -ium ‘Nahrung, Unterhalt’;
air. alim ‘nähre’; hierher wohl auch cymr. alu, mbret. halaff, nbret. ala ‘gebären’, cymr. al f. ‘Wurf, Nachkommenschaft, Volk’, alaf m. ‘Reichtum’ = air. alam f. ‘Herde’, davon almae ds.;
got. ags. alan (ōl) ‘aufwachsen’ (intr. wie lat. adoleō), aisl. ala (ōl) ‘nähren, hervorbringen’, got. aliþs ‘gemästet’ (Partiz. eines Kaus. *aljan = norw. dial. elja); aisl. elskr ‘von Liebe beseelt’, elska ‘lieben’ (s. zur Bed.-Entw. Falk-Torp u. elske).
Mit t-Formantien:
Gr. ἄν-αλτος ‘unersättlich’; ῎Αλτις, ἄλσος (*αλτι̯-ος) n. ‘heiliger Hain’, lat. altus ‘hoch’ (d. i. ‘großgewachsen’), mir. alt ‘Höhe; Ufer, Küste’, cymr. allt ‘Seite eines Hügels, bewaldeter Hügel’, acorn. als, bret. aot, aod ‘Küste’, as. ald, ahd. (usw.) alt ‘alt’ (eigentlich ‘großgewachsen’), ahd. altôn ‘hinausschieben’ (‘alt machen’); *alti- auch in got. alds f. ‘Zeitraum, Lebenszeit’, ags. ield ‘Zeitraum, Lebenszeit, Alter, Greisenalter’ (Pl. ielde, as. eldi ‘Menschen’), anord.ǫld f. ‘Zeit, Zeitalter, Pl. Menschen’; *alti̯o- in osk. altinúm, wenn ‘alimentorum’ = lat. *altiōnum; air. comaltae ‘Ziehbruder’ = mcymr. cyfeillt ‘Höriger’, ncymr. cyfaill ‘Freund’ (*komal-ti̯os), mcymr. eillt (*alti̯os) ‘Zögling, Held’, air. inailt (*eni-altī) ‘Dienerin’, got. alþeis (*alti̯os) ‘alt’ = air. alt(a)e ‘erzogen’; *altro- in air. altram ‘Nahrung’, altru ‘Pflegevater’ (cymr. athraw ‘Lehrer’ usw., s. Pedersen KG. I 137); anord. aldr m. (Gen. aldrs) ‘Alter, Lebenszeit, Greisenalter’, ags. ealdor ‘Leben’, as. aldar, ahd. altar ‘Greisenalter, Lebensalter’.
Mit m-Forrnantien:
Gr. ἄλμα n. ‘Hain’, φυτάλμιος Beiwort des Zeus und Poseidon (ebenso Φυτάλιος, Bezeichnung des isthmischen Poseidon in Troezen, Φύταλος, wozu hom. φυταλιή ‘Baumpflanzung’ als Abstraktum, s. Bechtel Lexil. 331); lat. almus ‘nährend (ager), segenspendend, hold, hehr’. Vielleicht hierher die FlN thrak. Almus, illyr. (?) Almō (Rom), Almā (Etrurien), abrit. *Almā, engl. Yealm.
Toch. А ālym- ‘Leben, Geist’.
d-Erweiterungen: ai. íḍ-, íḍā ‘Labung, Spende’; gr. ἀλδαίνω ‘lasse wachsen, stärke’, ἀλδήσκω ‘wachse’, ἀναλδής ‘nicht gedeihend; Wachstum hemmend’, ἄλδομαι ‘bringe hervor’ (καρπούς).
dh-Erweiterungen: ai. r̥dhnóti, r̥náddhi, r̥dháti, ŕ̥dhyati ‘gedeiht, gelingt, macht gelingen, bringt zustande’, av. arǝdat̰ ‘er lasse gedeihen’, ǝrǝdāt- ‘Gedeihen schaffend’, ai. árdhuka- ‘gedeihend’ (Specht KZ. 64, 64 f.); gr. ἀλθαίνω, ἄλθω ‘heile’, ἄλθομαι ‘wachse, heile’; aschwed. alda ‘fruchttragende Eiche’, aisl. aldin ‘Baurnfrucht, bes. eßbare (Ecker, Eichel)’.

WP. I 86 f., WH. I 4, 31 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal