Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pal - (zn. klamp; bijw. vast)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pal [zetter, klamp (zn.), vast (bijw.)] {1611-1620 als bijw.; als zn. 1671} < frans pal [spits toelopende paal] < latijn pālus (vgl. paal1); in de betekenis ‘vast’ is pal het bijwoordelijk gebruikte zn. De uitdrukking pal staan luidde vroeger te palle staan [op de pal staan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pal 1 znw. m. ‘pen of klamp om een rad vast te zetten’, nnd. pal, palle (> nde. pal, nzw. pall). Het woord zal wel ontleend zijn < westfra. pal ‘paal met spitse punt’, naast pel < lat. pālus. — Zie ook pal 2. — Ne. pawl dat eerst 1626 als scheepsterm optreedt zou aan nl. ontleend kunnen zijn, meent Bense 267).

Bij een zo jong woord is het weinig waarschijnlijk dat het tot het idg. zou kunnen worden teruggevoerd. Vergelijking met gr. belterós ‘beter’, lat. de-bilis ‘zwak’, oi. bala- ‘kracht’ enz., is onhoudbaar. — Er is ook weinig aanleiding om met H. Kuhn, ZfdMaf 28, 1961, 3 te denken aan ontlening aan een idg. substraat en dan te wijzen op lat. polleō ‘sterk zijn, vermogen’, oiers oll ‘groot’.

pal 2 bnw. komt eerst na Kiliaen voor, maar steeds in uitdrukkingen als pal zetten, pal staan. Het is hetzelfde woord als pal 1 en duidt dus de toestand aan, wanneer een pal een spil of rad vastgezet heeft. Daarvoor pleiten ook uitdrukkingen als ouder-nnl. (16de eeuw) ter palle, te pal komen of raken ‘vastlopen, in moeilijkheden geraken’ en nedersaks. (1768) te pal setten ‘vastzetten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pal I bnw., bijw., nog niet bij Kil. Dit ook ndd. fri. woord wordt wel, niettegenstaande het in oude teksten niet voorkomt, voor een oud-germ. woord gehouden, verwant met lat. dê-bilis “krachteloos, zwak”, gr. bélteros, beltíōn “beter”, obg. bol’ĭjĭ “grooter”, oi. bâla- ”kracht”; wellicht nog hierbij ier. diblide “senium”, phryg. balḗn “koning”. Doch èn om het late voorkomen èn omdat de grondbet. eer “vaststaand, vastzittend” is dan “sterk, kloek” (vgl. o.a. vla. pal “vast, gevangen”) en wegens ndd. uitdrr. als bremensch-nedersaksisch (1768) to pal setten “vastzetten” is dit pal eer identisch met pal II en moeten we aannemen, dat het uit dgl. verbindingen als de genoemde ndd. uitdr. (letterlijk gebruikt van een spil e. dgl., met een pal vastgezet) ontstaan is; met lange vocaal westf. pål hàllen “pal staan”.

pal II znw., ook fri. ndd. (en door ontl. ook de. zw.) en eng. (pawl) wordt wel met lat. dêbilis enz. gecombineerd. Anderen gaan van fr. pal “rechte paal” < lat. pâlus uit en dit is veel aannemelijker: voor de bet. vgl. nog westf. pål “paal” en “wig”. Zie paal.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pal I bnw. bijw. Identiteit met pal II znw. wordt zeer waarschijnlijk door ouder-nnl. (oudste vbb. van de 16e eeuw) te(r) pal(le) komen, raken ‘vastlopen, in moeilijkheden geraken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pal 1 m. (zetter), + Fri. en Ndd. palle, waaruit Eng. pawl, Zw. pall, De. pal + Skr. balam = kracht, Lat. de-bilis = krachteloos, Osl. bol'ĭjĭ = grooter.

pal 2 bijv.(vast), is pal 1.. bijvoeglijk gebr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pal bw.
1. Sonder om te beweeg. 2. Voortdurend, aanhoudend.
In bet. 1 uit Ndl. pal (1611 - 1620). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 2 ('aanhoudend') volg logies uit bet. 1 ('onbeweeglik'). Eerste optekening in Afr. in bet. 2 by Pannevis (1880).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pal: in Afr. nog in verbg.: pal staan; Ndl. pal (nog nie by Kil nie, maar sedert 17e eeu), “pen, klamp” (om by wyse v. ’n wig ’n rat vas te sit), vandaar (veral i. seemt.) te pal staan/zetten (vgl. Kem WFA 31), by weglating van te net pal staan, d.w.s. “soos ’n pal, paal of pen vasstaan” (WNT XII 197) – pal hou misk. verb. m. Lat. palus, “paal, stut”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pal (Frans pal)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Pal staan, eig. te pal staan, d.w.z. stevig, vast, onbeweeglijk staan (verg. schrap zetten, schoor staan, kant schaven enz.): eig. gezegd van raderen of andere machinedeelen, en de machine zelf. Later heeft het woord ook nog een ruimere toepassing gekregen: Pal in de zon zitten. Vroeger; te pal komen, raken, zijn = in den klem raken, verkeerd te pas komen. v. Vloten, Kluchtsp. 1, 168: “Elck mach hem bet wachten voor sulcken misval. Soo raect hy niet ter pal”. Het woord pal = staak, klamp, stutsel, wordt wel verklaard als overgenomen uit fra. pal, lat. palus, gen. pali, ons paal, doch zekerheid is er niet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pal ‘pennetje, stuitpin’ -> Engels pawl ‘pennetje, stuitpin’; Deens stå pal ‘pal staan’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens pal, pal! ‘pennetje, stuitpin; commando aan boord’; Noors pall ‘stopper aan de spil van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stå pal ‘pal staan’; Zweeds pall ‘sluitpin (in winch of ankerlier)’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch dialect pal ‘stopper aan de spil van een schip’; Oekraïens pal ‘stopper aan de spil van een schip’ ; Azeri pal ‘pennetje, stuitpin’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pal vast 1611-1620 [WNT] <Frans

pal pennetje, stuitpin 1671 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1766. Pal staan,

d.w.z. onwrikbaar, onbewegelijk staan; nd. (to) pall stân (Goedel, 349) naast to pall settten, vast zetten. Vroeger luidde deze uitdr. te palle staan, d.w.z. op de pal staan; onder de pal of een zetter verstaat men eene pen, staak, klamp, waarmede een spil of een rad wordt vastgezet, zoodat omzwaaien of terugdraaien onmogelijk is; zie Boekenoogen, 727; Winschooten, 184: Een pal is een werktuig ter sijde van de spil: waarmeede de selve belet werd agterwaarts te draajen: gelijk de selve in de braadspeeten te scheep meede gebruikt werden; hier vandaan nu: hij staat pal dat is, hij staat onbeweegelijk, hij is onversettelijk: hij staat schrap’. Voor vele plaatsen zie Noord en Zuid XX, 223-225; Ndl. Wdb. XII, 199 vlgg.; Villiers, 95 en voor Zuid-Nederland Schuermans, 451 a; De Bo, 820: pal zijn, gevangen zijn; in 't spel er aan zijn; iemand pal hebben, iemand splannen doorgronden; vgl. onze uitdr. iemand pal zetten, vroeger ook neerzetten (zie Plaiz. Kyv. 32), iemand door redeneering den mond snoeren, hem vastzetten, hem klem zetten (N. Taalgids XIII, 135); ie mand met de spillen in de as zetten (zie Plaiz. Kyv. 39), iemand bot zetten (zie Antw. Idiot. 281), en het Deventersch pal (pòl) staon, slingeren om een middelpunt, de pal of pol genoemd, d.i. een jongen, die op eenigen afstand geposteerd is (Draaijer, 29); fri. pal stean. Dialectisch is ook nog bekend de in de 17de eeuw zeer gewone zegswijze te pal komen, in moeilijkheid komen; ergens verkeerd te pas komen, syn. van van te maat komen (Molema, 417); fri. to pal komme. In den algemeenen zin van ‘te recht komen’ lezen we haar Landl. 5: As 'k niet in zoo'n hoop baalzakke te pal was gekomme. - Al vroeg schijnt men aan ‘paal’ gedacht te hebben onder den invloed van uitdrukkingen als: pal staen als een pael (Vondel, Leeuwendalers, 1469; 1918); staan gelijk een paal (V. Lummel, 152); staan (zoo vast) als een paal (Boere-krakeel, 34; 44; Winschooten, 182); ook als een paal boven water, d.i. voor ieder duidelijk (Harreb. II, 159; Ndl. Wdb. XII, 18); recht staan gelijk een paal boven water (Waasch Idiot. 501 a) en dergelijke.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut