Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

patroon - (ontwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

patroon 2 zn. ‘model’
Mnl. patroon ‘ontwerp, model’ in de patroonen van den cleedinghen ‘de ontwerpen van de kleding’ [1400; MNW]; nnl. ook ‘uitgesneden papieren ontwerp’ in zodanig patroon ... van stijf papier [1773; WNT], ‘decoratieve tekening’ in mooije patronen [1839; WNT].
Ontleend aan Frans patron ‘model’ [1119; Rey], een overdrachtelijke betekenis van ‘beschermheer’, zie → patroon 1, doordat deze tot voorbeeld diende en model stond voor zijn beschermeling of (pleeg)zoon.
Het woordgeslacht is in het Vroegnieuwnederlands onzijdig geworden, misschien onder invloed van het synoniem model.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

patroon3 [ontwerp] {1400 in de betekenis ‘model’} < frans patron [idem], hetzelfde woord als patroon1 [beschermheer]; uit de betekenis ‘degene naar wie men zich heeft te richten’, ontwikkelde zich in het frans die van ‘model’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

patroon 2 znw. o. ‘model’, mnl. patroon, patrône ‘voorbeeld, model’ < fra. patron, eig. hetzelfde woord als patroon 1. Daar de patronus tot voorbeeld diende voor zijn (pleeg)zoon, kreeg reeds in het lat. dit woord de bet. van ‘voorbeeld, model’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

patroon II (model) (de en het); een reeds mnl. ontl. uit fr. patron “model”, = patron, lat. patrônus, bij patroon I besproken, met secundaire bet. Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

patroon m., v. en o., gelijk Hgd. patron, patrone, Eng. patron, pattern, uit Fr. patron, van Lat. patronum (-us) = beschermheer, afgel. van pater = vader (z. vader). Uit de bet. beschermheer, naar wien men zich richt, ontwikkelden zich de bet. van voorbeeld, model, vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1patroon s.nw.
1. Model of voorbeeld waarna iets, bv. 'n rok, gemaak word. 2. Dekoratiewe ontwerp wat op iets, bv. materiaal, aangebring word. 3. Gekombineerde gegewens wat insig in 'n situasie, bv. op ekonomiese gebied, gee. 4. Kind met innemende eienskappe.
Uit Ndl. patroon (al Mnl.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

patroon ‘ontwerp voor kleding’ -> Fries patroan ‘ontwerp voor kleding’; Indonesisch patron ‘ontwerp voor kleding’; Muna patoro ‘ontwerp voor kleding’; Papiaments patronchi ‘ontwerp voor kleding’; Sranantongo patron ‘ontwerp voor kleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

patroon ontwerp 1400 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut