Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

penthouse - (appartement op de bovenste verdieping)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

penthouse zn. ‘appartement op de bovenste verdieping’
Nnl. penthouse ‘hellend dak, afdak; exclusieve bungalow op het plat dak van een flat’ [1974; Koenen], penthouse ‘hellend dak, syn. afdak; (exclusief) appartement op de hoogste verdieping van een flatgebouw’ [1992; Van Dale].
Ontleend aan Amerikaans-Engels penthouse, ouder Pent-House ‘appartement op de bovenste verdieping’ [1892; OED], een betekenis ontwikkeld uit ‘bijgebouw met aflopend dak’ [1530; BDE]. Het Engelse woord gaat terug op Middelengels pentice, pentis ‘uitstekend gebouwdeel met afdak’, met als oudste attestatie pendize [ca. 1300; BDE], dat ontleend is aan Oudfrans appentis ‘afdak’ [12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans ‘bijgebouw’), afleiding van appendre ‘ophangen, afhangen’ [1080; Rey]. Dit werkwoord is ontwikkeld uit Latijn appendere ‘afwegen, ophangen’, gevormd uit → ad- ‘aan-, toe-’ en pendere ‘wegen’, zie → appendix en → pendant. Middelengelse pentice is hetzij vervormd tot penthouse onder volksetymologische invloed van house (zie → huis), hetzij met datzelfde woord samengesteld tot *penticehouse, dat dan vervolgens verkort is tot penthouse.
In de Verenigde Staten ontstond aan het eind van de 19e eeuw de benaming voor een appartement op de bovenste verdieping van een gebouw, mogelijk omdat dergelijke appartementen oorspr. een hellend dak hadden of enigszins losstaand ontworpen waren van de rest van het gebouw (bijv. met een terugliggende gevel). Omdat dergelijke appartementen vrij uitzicht hadden en meestal een eigen lift, kreeg het woord een luxueuze bijbetekenis.
In Nederland raakte het woord in de jaren 1980 algemeen bekend, mogelijk door Amerikaanse televisieseries als Dynasty (te zien vanaf 1981), waarin een van de hoofdpersonen een penthouse bewoont, of door de introductie van de Nederlandse uitgave van het mannentijdschrift Penthouse (1986).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

penthouse [dakwoning] {na 1950} < engels penthouse, volksetymologische vervorming van pentice, middelengels pentis < oudfrans apentis, teruggaand op latijn appendēre (verl. deelw. appensum) [hangen aan], van ad [aan, tot] + pendēre [hangen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

penthuis s.nw.
Eksklusiewe woonstel of woning op die dak van 'n groot, dikw. hoë gebou.
Uit Eng. penthouse (1921), met vertaling van die tweede lid deur Afr. huis.
Eng. pent het deur volksetimologie ontstaan uit Middelengels pentis 'klein aanbousel', wat met Latyn pendere 'hang' verband hou.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

penthouse (Engels penthouse)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

penthouse dakwoning 1984 [GVD] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut