Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

persoon - (mens, individu; grammaticaal begrip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

persoon zn. ‘mens, individu; grammaticaal begrip’
Mnl. persone, persoon ‘mens’ in Persone beide ijonge ende oude ‘zowel jonge als oude mensen’ [1265-70; VMNW], ‘rol, karakter’ in inds lichame persone ‘in de rol van het lichaam, het lichaam representerend’ [1276-1300; VMNW], die hertoghe van Brabant ... In sijns selfs persoon ‘... in eigen persoon, zelf’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. Daer zijn drie Persoonen. De eerste is die spreekt, als Ik. De tweede Persoon is tot welken men spreekt, als Gy. De derde Persoon is van welken men spreekt, als Hy [1626; iWNT].
Ontleend aan Latijn persōna ‘persoon, individu’, oorspr. ‘(toneel)rol; masker’, van onzekere herkomst, maar wrsch. een leenwoord, vergelijk Etruskisch phersu ‘masker’.
De betekenis ‘rol, karakter’ is verouderd, maar nog te herkennen in enkele vaste verbindingen, bijv. in de persoon van ‘vertegenwoordigd door’, in eigen persoon ‘zelf’.
In de grammaticale betekenis is persoon een kenmerk van het werkwoord en het persoonlijk voornaamwoord. Er worden in het Nederlands drie personen onderscheiden (eerste, tweede en derde persoon), elk onderverdeeld in twee getallen (enkelvoud en meervoud), zie → getal 2. Daarbij horen vaste werkwoordsvormen, de persoonsvormen.
persoonsvorm zn. ‘vervoegingsvorm van een werkwoord’. Nnl. Een zin is een persoonsvorm van een werkwoord, al of niet vergezeld van andere woorden, waardoor eene mededeeling, eene vraag of een gebod wordt uitgedrukt [1892; Den Hertog]. Samenstelling van persoon met genitiefuitgang en → vorm. De term kreeg een vaste plaats in de zinsontleedkunde van het Nederlands door het invloedrijke werk van onderwijzer en taalkundige C.H. den Hertog (1846-1902).
Lit.: C.H. den Hertog (1892), Nederlandsche spraakkunst, stuk 1, 13

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

persoon [individu] {persone [persoon in een dramatische vertoning, pastoor] 1254; als grammaticale term 1576} < frans personne < latijn persona [toneelmasker, de rol van de acteur, persoonlijkheid, persoon], van per [door] + sona, van sonare [klinken], term voor het masker van de antieke acteur, waardoorheen zijn stem klonk, teruggaand op etruskisch fersu [masker].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

persoon znw. m., mnl. persône m. v. ‘persoon in toneelspel, rol, persoon, persoonlijkheid, pastoor’ < lat. persona ‘masker, rol, karakter’ (waarsch. uit etrusk. ϕersu, dat als bijschrift bij een afbeelding van gemaskerden voorkomt).

De bet. ‘pastoor’ vinden wij ook in het eng. waar naast person in deze bet. ook parson voorkomt. — Van persoon is persoonlijk afgeleid, later-mnl. nog in de bet. ‘het wezen van de persoon betreffend, door zijn persoon een goede indruk makend’, sedert de 16de eeuw in de tegenwoordige bet. Het begrip persoonlijkheid duikt in de taal der mystici voor het eerst op.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

persoon znw., mnl. persône m. v. “persoon in een dramatische vertooning, rol, persoon, persoonlijkheid, pastoor, provenier die zijn prebende of kerk tegen betaling door een vicaris laat bedienen”. Uit lat. persôna “tooneelmasker, rol, karakter, persoon” (wsch. uit ’t Etrurisch). Een in veel talen ontleend woord. De mnl. oudnnl. bet. “pastoor” is wellicht onder fr. invloed opgekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

persoon m., uit Lat. personam (-a) = 1. verkleeding, masker van een tooneelspeler, 2. rol van een tooneelspeler, 3. rol van den mensch in het leven, 4. de mensch in zijn levensrol. Persona is gevormd met Lat. per (z. per) en Gr. zṓnē = gordel, verwant met zugón (z. juk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

persoon s.nw.
1. Karakter, figuur in 'n toneelstuk, roman. 2. Individu. 3. Liggaam. 4. (teologie) Elk van die drie onderskeidinge van God. 5. (taalkunde) Elk van die klasse van persoonlike vnw. 6. (juridies) Wetlike regte en pligte van 'n individu of instelling.
Uit Ndl. persoon (al Mnl. in bet. 1, 2 en 3, 1560 in bet. 4, 1576 in bet. 5, 1675 in bet. 6).
Ndl. persoon uit Fr. personne uit Latyn persona 'toneelmasker, rol, karakter' waaruit die bet. 'individu'. Ook in Mnl. is die vroegste bet. 'persoon in 'n dramatiese vertoning, iemand in 'n bepaalde karakter'.
D. Person, Eng. person, It. persona.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

persoon’: een of de persoon, iemand, ’je’ e.d. Het is een zeer alg. manier om een (nog) onbekende of niet nader genoemde persoon aan te duiden, ook in gevallen waar in het AN een pers. vw. gebruikt zou worden. Ik eh... ik ben gomma* komen kopen! - W’ heeft gezegd dat ik verkoop? - Eh... een persoon! (Cairo 1978b: 329); hier: iemand. De tamanoewa* kan niet bijten, maar als er gevaar dreigt, gaat hij op zijn rug liggen alsof hij dood is. En o wee, als men over hem bukt, dan grijpt hij de persoon vast, omhelst hem en drukt zijn grote puntige nagels in het lichaam (Heyde 1978: 102); hier ’je’. Ma’ ik ga toch met die meid die ik zwanger gemaakt heb trouwen? - Ja jonge, maar op zo’n manier? - Wie zegt dat ik niet van die persoon hou? (Cairo 1977: 63); hier: haar. Kinderen! Komen jullie deze persoon hier groeten* dan? (Cairo 1980b: 179).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

persoon: ’n mens; Ndl. persoon (Mnl. persone/persoon), Hd. person, Eng. person, “’n mens”, naas parson, “gemeentehoof”, òf via Ofr. persone (Fr. personne) òf direk aan Lat. persona, “(toneel)masker; (toneel)rol”, vgl. ook It. persona; herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

persoon (Latijn persona of Frans personne)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

persoon ‘individu; als grammaticale term: klasse van de persoonlijke voornaamwoorden’ -> Indonesisch person ‘individu; als grammaticale term: klasse van de persoonlijke voornaamwoorden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

persoon individu 1265-1270 [VMNW] <Latijn

persoon als grammaticale term: klasse van de persoonlijke voornaamwoorden 1576 [Ruijs] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

26. Zonder aanzien des persoons,

d.i. zonder te letten op den stand, de geboorte, den rijkdom, den ouderdom, enz. van den persoon. Deze uitdrukking is van bijbelschen oorsprong; men vindt haar Rom. 2:11: Want daer en is geen aenneminge des persoons by Godt. Vgl. hiermede Spreuken, 24, 23; 2 Kron. 19:7; Deut. 10:17; Sewel, 20: Zonder aanzien van personen, without respect of persons; Harreb. I, 3 b; Ndl. Wdb. I, 512; XII, 1324; fr. sans considérer des personnes; hd. ohne Ansehen der Person; eng. irrespective of persons; without respect of persons.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal