Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

piepjong - (heel jong)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

piepjong* [heel jong] {te piepe en jonck 1641, piepjong 1691} zo jong als een vogeltje dat alleen nog maar kan piepen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

piepjong bnw., nog niet bij Kil. Van menschen gebruikt, ospr. met de bijgedachte aan piepende jonge vogeltjes.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

piepjong bijv., zoo jong dat het nog een pieperig stemmetje heeft.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

piepjong b.nw.
Wat baie jonk is.
Uit Ndl. piepjong (1691, 1641 in die frase te piepe en jonck), 'n samestelling van piepen 'piep' (sien 2piep 1) en jong, met die bygedagte aan jong voëltjies wat nog in die nes lê en piep. Die eerste lid kom ook voor in piepklein en piepkuiken, beide uit Ndl.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

piepjonk: baie jonk; Ndl. piepjong (in 1641 reeds verbg. piepe en jonck), eerste lid wsk. kn. (geluid v. klein voëltjies).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

piepjong* heel jong 1691 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1812. Piepjong zijn,

d.w.z. zeer jong zijn; eig. gezegd van vogels, die nog zoo jong zijn, dat ze nog maar kunnen piepen; vgl. het bij Kil. vermelde kriephinnekenKluyver, Proeve, 74. en piepgans, piepkuiken. Zie Halma, 503: Piepjong, bijv. w. heel jong, fort jeune; Sewel, 637: Piep-jong, een piep-jong meisje, a very young girl; vlg. Van Effen, Spect. VI, 111: De moeder en de oudste dogter waren in 't zwart, en de ander, die nog piep jong is, in het donker bruin gekleed; Molema, 323: piepjonk, te jong om te trouwen; eig. nog in 't nest liggen te piepen; fri. piipjong; nd. piepjung.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut