Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pisang - (banaan (geslacht Musa))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pisang zn. (NN) ‘banaan (geslacht Musa)’
Vnnl. pysan, pisang ‘banaan’ eerst als Maleis woord in die Mallayen van Malacca (heetense) Pysan ‘de Maleiers van Malakka noemen ze pysan’ [1596; WNT], dan 25 bossen Pisangh ‘25 trossen bananen’ [1647-48; WNT], zwijnen-vleesch, rijs ... en Pizang [1670; WNT zwijnenvleesch]; nnl. pisang ‘banaan’ in schil de pisangs, snijd ze overdwars in tweeën [1910; iWNT], ook ‘ongewoon persoon’ in 'n rare pisang die man [1910; WNT], een leuke pisang [1915; WNT].
Ontleend aan Maleis pisang ‘banaan’. In de loop van de 19e eeuw werd het woord in het NN door de invloed van de vele oud-Indiëgangers steeds gewoner, maar in de 20e eeuw werd het weer vrijwel geheel vervangen door → banaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pisang [banaan] {1596} < maleis pisang [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pisang znw. v., evenals nhd. nde. nzw. nfra. pisang < maleis pisang, naam voor de banaan; zie verder banaan en het Westindische woord bacove.

pisang [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 240 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pisang znw. Uit ’t gelijkluidende mal. woord. Een andere naam (in Indië weinig gebruikt) is banaan; een derde is ’t oorspr. West-Indische bacove.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pisang, komt sedert het begin van de 17e eeuw in reisverhalen voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pisang m., uit Mal. id.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

piesang s.nw.
Smaaklike tropiese vrug.
Uit koloniale Ndl. pisang (1596).
Ndl. pisang is in die Ooste aan Maleis pisang ontleen en kom o.a. in reisjoernale, ook by Van Riebeeck (1651 - 1662), voor.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1786).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam

pisang [banaan]. Maleis pisang. [Zie ook banaan.] [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pisang (Maleis pisang)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

pisang, - afkorting van den Mal. plantennaam njatoh pisang. Het woord pisang wordt in het Mal. attributief gebezigd voor planten, welke in eenig opzicht, vruchtvorm bv., overeenkomst met een pisang (Musa) vertoonen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pisang ‘banaan’ -> Duits Pisang ‘banaan’; Zuid-Afrikaans-Engels pisang, wild pisang ‘strelitzia’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pisang banaan 1596 [WNT] <Indonesisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut