Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

president - (voorzitter; staatshoofd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

president zn. ‘voorzitter; staatshoofd’
Mnl. president ‘voorzitter, persoon aan het hoofd’ in vurweser of president ‘voorzitter, bestuurder’ [1477; Teuth.]; vnnl. president ‘hij die aan het hoofd staat, voorzitter, prior’ in den President die een groot Predicant was [1512; WNT], de President der vergaaderinge [1687; iWNT]; nnl. president ‘staatshoofd van een republiek’ in Parys - De heer Bailly, president van den derden staat ... [1789; Leeuwarder Courant], ‘voorzitter, hoofd’ in President dier rechtbank [1796; WNT].
Ontleend aan Frans président ‘staatshoofd van een republiek’ [1792; TLF], eerder al president ‘hij die voorzit, aan het hoofd staat’ [1296; TLF], zelf een geleerde ontlening aan Latijn praesidēns (genitief -entis) ‘id.’, letterlijk ‘voorzittende’, teg.deelw. van praesidēre ‘de leiding hebben, voorzitten’, gevormd uit prae- ‘voor’, zie → pre-, en sedēre ‘zitten’, verwant met → zitten.
De betekenis ‘staatshoofd van een republiek’ is mogelijk niet (alleen) ontleend aan het Frans, maar (ook) aan het Amerikaans-Engels, waar deze betekenis voorkomt sinds 1787 [OED], het jaar waarin de grondwet van de Verenigde Staten werd opgesteld, als uitbreiding van de eerdere betekenis ‘voorzitter van de parlementaire vergadering der gezamenlijke staten’ [1783; BDE].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

president [staatshoofd in republiek, voorzitter] {president [hoofd, bestuurder] 1477; de betekenis ‘staatshoofd’ 1830} < frans président < latijn praesidentem, 4e nv. van praesidens, teg. deelw. van praesidēre [beschermen, de leiding hebben, voorzitter zijn], van prae [voor] + sedēre (in samenstellingen -sidēre) [zitten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

president znw. m., sedert Kiliaen < fra. président ‘voorzitter’ < lat. praesidente, praesidens.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† president znw., sedert Kil. en de Teuth. Evenals eng. president uit fr. président (< lat. praesidens).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

president (Frans président)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

president ‘voorzitter, staatshoofd in republiek’ -> Indonesisch présidén ‘voorzitter, staatshoofd in republiek’; Javaans présidhèn ‘voorzitter, staatshoofd in republiek’; Madoerees presidhen, presiden, prisiden ‘staatshoofd in republiek’; Makassaars parasidêng, parsidêng ‘voorzitter van vereniging of landraad’; Papiaments presidènt ‘voorzitter, staatshoofd in republiek’; Sranantongo presidenti ‘staatshoofd in republiek’; Surinaams-Javaans présidhèn ‘voorzitter, staatshoofd in republiek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

president voorzitter 1477 [Teuth.] <Frans

president staatshoofd in republiek 1830 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut