Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rennen - (hard lopen, hollen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rennen ww. ‘hard lopen, hollen’
Mnl. eyn pert rennen ‘een paard doen draven’ [1477; Teuth.]; vnnl. ‘hard lopen’ in De vier Mannen ... zijn terstont gekomen rennen ‘de vier mannen zijn direct hard komen aanlopen’ [1564; WNT].
Os. rennian ‘laten samengaan, lijmen’; ohd. rennen ‘rondrennen, laten samenlopen’ (nhd. rennen); ofri. renna, rinna ‘lopen, stromen’; oe. ærnan ‘laten gaan, rijden’ (hierbij hoort, met een complexe geschiedenis, ne. run); on. renna ‘aandrijven, jagen’; got. rannjan ‘doen gaan’; < pgm. *rannjan- ‘doen gaan’, causatief bij het sterke werkwoord *rinnan- ‘gaan, stromen’, zie → geronnen. In een aantal gevallen zoals in het Middelnederlands en het Oudfries lopen het sterke werkwoord en het zwakke causatief door elkaar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rennen* [hard lopen] {1201-1250 in de betekenis ‘doen draven, doen vloeien, hard lopen’} oudsaksisch rennian, oudfries renna, middelengels rennen, oudnoors renna, gotisch -rannjan, causatief bij oudnederlands rinnan, middelnederlands rinnen (verl. deelw. geronnen) [vloeien, snel lopen, stremmen], oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels, gotisch rinnan, oudfries rinna; buiten het germ. grieks ornumi [ik breng in beweging], latijn oriri [zich verheffen], oudkerkslavisch rějati [voortdrijven] (russisch rejat' [snel stromen]), oudindisch ṛṇoti [hij beweegt zich].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rennen ww., mnl. rennen ‘hard draven, vloeien’, os. rennian ‘samenlopen’, ohd. rennen ‘doen draven, draven’ (nhd. rennen), ofri. renna ‘rijden, vloeien’, oe. ærnan ‘doen springen, doen lopen’, on. renna ‘doen lopen, lopen, rennen, vloeien’, got. ur-rannjan ‘doen opgaan’. — Het woord is naar de vorm een causatief *rannjan; voor de bet. ontw. moet men denken aan uitdrukkingen als ‘een paard doen draven’, wat dan vanzelf voert tot ‘draven’. — Het grondwoord is mnl. rinnen ‘vloeien, stromen, rennen, lopen, komen, stollen’, onfrank. rinnan ‘lopen, rennen’, os. rinnan, ohd. rinnan (nhd. rinnen), oe. rinnan, iernan (ne. run) ‘stromen, lopen, rennen’, got. rinnan ‘rennen, lopen’. — Men zal moeten uitgaan van een wortel idg. *ren-w- vgl. oi. rinvati ‘verheft zich, beweegt zich’, gr. órnumi ‘beweeg’, die teruggaat op de idg. wt. *er: *or ‘in beweging zetten’, waarvoor zie: ernst en rijzen.

Als schwundstufe-vorm is nog te noemen mnl. ronnen, runnen ‘stromen, lopen, gaan’, mnd. runnen ‘stremmen’, ofri. runna ‘vloeien’. — Opmerkelijk zijn de sterke vervoeging van rennen, die men niet met FW 545 uit een intrans. *rannian moet verklaren, maar als secundaire vormen, die daardoor ontstonden, dat *rinnan en *rannjan in de tegenw. tijd met elkander konden samenvallen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rennen ww., mnl. rennen “hard rijden, draven, vloeien”, in den Teuth. wsch. ook nog in de bet. “doen draven”. = ohd. rennen “doen draven, draven” (nhd. rennen), os. rennian “(samen-) loopen”, ofri. renna “rijden, vloeien”, ags. ærna “doen springen, doen loopen”, on. renna “doen loopen, loopen, rennen, vloeien”, got. ur-rannjan “laten opgaan”. Hiernaast mnl. rinnen “vloeien, stroomen, rennen, loopen, komen, stollen” = onfr. rinnan “currere, decurrere”, ohd. rinnan “stroomen, loopen, rennen” (nhd. rinnen), os. rinnan, ags. rinnan, iernan (eng. to run) “id.”, got. rinnan “rennen, loopen”. De intrans. bet. van rennen behoeft niet op “het paard laten draven” terug te gaan; een van ouds niet-causatief *rannianan is naast ’t gelijkluidende causativum best mogelijk: vgl. kennen en zwemmen. Wsch. gaat germ. rinn- op idg. re-n-w-terug en komt ’t van de basis ere-, waarvan ook met n-formans gr. ornūmi “ik wek op, breng in beweging”, arm. yaṙnem “ik sta op”, oi. Ṛṇóti, ̣ṛ́ṇvati “hij staat op, zet zich in beweging”. Vgl. verder o.a. os. aru, ags. earu, on. ǫrr “vlug”, oi. árvan-, árvant- “dravend, draver”, (got. arwjo “zonder reden, gratis”? Vgl. on. ǫrr “vrijgevig”) en lat. orior “ik ontsta, verrijs, verhef me”, gr. ṓrto “hij verhief zich”; ook ksl. roniti “effundere”? Voor eventueele verdere verwanten zie ernst, ook arend. Een idg. grondvorm rinw- (vgl. oi. riṇā̀ti, ríṇvati “hij laat gaan, laat stroomen”; zie verder bij rijzen) is onwsch.: dan zouden niet alleen de flexie naar klasse 3. en *rannianan, maar ook got. runs, ags. ryne m. “loop” e.a. u-vormen (in ’t Ndl.: mnl., nog dial. ronnen, runnen “stroomen, loopen, gaan” = mnd. runnen “stremmen”, ofri. runna “vloeien” (in blôdrunnanda) secundairen ablaut moeten hebben. De sterke buigingsvormen kwamen van ouds ook bij ’t intrans. *rannianan voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rennen. Ags. ærna drukfout voor ærnan. — Daar bijna alle oudgerm. diall. de causatieve bet. ‘doen lopen, doen draven’ kennen, is toch wel zeer wsch. de intr. bet. van rennen uit de oudere causatieve ontwikkeld, evenals bij hd. sprengen: vgl. Wellander St. z. Bedeutungswandel im D. III, 146. Wanneer sterke buigingsvormen bij het intr. *rannianan voorkomen (slot van het art.), berust dit op invloed van het st. ww. mnl. rinnen enz. In het Mnl. kon deze invloed te gemakkelijker werken doordat de praesensvormen van beide ww. dialectisch samenvielen.
Buiten het Germ. vgl. nog alb. rend, rɛnd ‘ik kom aansnellen’. Jokl Lingu.-kulturhist. Unters. aus dem Ber. des Alb. 276 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rennen ono.w., Mnl. id., Os. rennian + Ohd. rennen (Mhd., Nhd. id.), Ofri. renna, On. id., Go. rannjan: factit. van rinnen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rennen (D, I, K, R, DB), ww.: schommelen, wiegelen. Mnl. rennen ‘lopen, doen draven, draven’. Ohd. rennen ‘doen draven, draven’, Mhd., Mnd. rennen ‘snel rijden’, D. rennen, Ofri. renna ‘rijden’. Rennen < rannjan is eigenlijk het causatief (en zwak) werkwoord naast (sterk) rinnen ‘rennen, lopen’. Voor de betekenis van rennen, vgl. rijdekoke.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rennen (rende, heeft geronnen), (ook:) 1. rennen (als AN). Dus waarom achter Gusta aan? Als achter die ouwe hoed van ’em geronnen! (Cairo 1978b: 159). - 2. hardlopen als vorm van sport (niet in wedstrijdverband), als vorm van trimmen. John heeft als hobbies*: zingen, voetballen, badminton, rennen en lekker eten (Join 7: 20; 1980). - 3. (bij uitbr., niet alg.) zich snel voort bewegen, zich voortspoeden i.h.a. Met brullende motoren rende de machine naar het eind van de startbaan en was meteen los van de grond (I. van der Werff, juni 1965: 18). Zijn bloed begon door zijn aders te rennen, wat nu (Rappa 1984: 86). - Etym.: In Mnl. ook ’ronnen’ = rennen. Bij Teenstra (1835 II: 241): S ron we (ron = rennen; we (als bw.) = weg) = weglopen. Hedendaags S: lon = o.m. rennen. - Zie ook: rijden*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rennen, causatief van rinnen (ons runnen) met de bet. van vlieten, zwemmen, loopen, of in ’t algemeen: zich snel voortbewegen. Rennen is dus eigenlijk: doen loopen, maar de causatieve bet. werd later niet meer gevoeld. Geronnen bloed: is samengeloopen (gestold) bloed. „Zoo gewonnen, zoo geronnen” = weggeloopen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rennen ‘hard lopen’ -> Frans dialect † runauve voye, roye runal, runal chemin ‘gemeentelijke weg’; Papiaments † ren ‘hard lopen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rennen* hard lopen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal