Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schaften - (eten tijdens een werkonderbreking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schaften ww. ‘eten tijdens een werkonderbreking’
Nnl. schaften ‘eten’, aanvankelijk vooral als scheepsterm, in de Bootsman met syn volk was schaftende [1721-22; iWNT], algemener ‘het werk onderbreken t.b.v. een maaltijd’ in Van 8 tot 9 en van 12 tot 11/2 wordt geschaft [1886; iWNT].
Volgens de meeste etymologische woordenboeken is schaften een jonge nevenvorm van vnnl. schoften ‘tussen het werk rusten’, dat reeds door Kiliaan wordt genoemd als nevenvorm van schoffen ‘id.’ [1599]. Schoffen/schoften is afgeleid van vnnl. schof(t) < mnl. schof (o.) ‘deel van een werkdag (tussen de pauzes)’ in een scoff ofcorten ‘een werkdagdeel in mindering brengen’ [1461; MNW], betaelt P. 5 daeghen een schoft min ‘uitbetaald aan P.: 5 werkdagen minus één dagdeel’ [1556; MNW]. Ten slotte is mnl. schof zelf een afleiding van de wortel van → schuiven. De t in schoft(en) kan zijn ontstaan door verkeerde interpretatie van bepaalde vervoegingen (schofte, geschoft) of van de veelvoorkomende samenstelling schoftijd > schofttijd.
Volgens WNT is schaften echter een nevenvorm van → schaffen ‘leveren’ in de specifieke betekenis ‘opdissen, te eten geven’, zoals in de samenstelling schafmeesters ‘hofmeesters’ [1596; iWNT], in hoe de keucken schaffen moet [1625; iWNT] en in Te met is 't schaffens-tijd ‘het is zo etenstijd’ [1684; iWNT]. De t kan hierbij op dezelfde manier verklaard worden als bij schoft(en).
De betekenissen van deze woorden liggen dicht bij elkaar en uitsluitsel is dan ook moeilijk te geven. Wellicht moet van beide verklaringen worden uitgegaan en kan schaften beschouwd worden als contaminatie van schaffen en schoften.
schaft zn. ‘werkonderbreking om te eten’. Nnl. schoft of schaft “dagverdeeling der arbeiders, of uitspanning in den arbeid” [1822; WL], ook schaft ‘maaltijd’ in den an de schaft ‘dan aan de maaltijd’ (Zaanse volkstaal) [1882; Leopold], waaruit een verpleegster de schaft opschepte [1888; Nieuwe Gids 3, 225]. Afleiding van schaften. Anders dan bij het werkwoord is schaft ‘werkonderbreking’ zeker geen nevenvorm van schoft ‘deel van een werkdag tussen de werkonderbrekingen in’, dat juist het tegengestelde betekent (vgl. nfri. skoft ‘deel van de (werk)dag; schaft; pauze; poos’).
Lit.: J. A. Leopold & L. Leopold (1882), Van de Schelde tot de Weichsel, Groningen, 1, 274

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schaften* [eten tijdens werkonderbreking] {1886} ontstaan uit schoften, mogelijk o.i.v. wat de pot schaft, van schaffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoften ww., sedert Kil.: schoften, schoffen. Ook ndd. De jongere vorm schaften is een vervorming van schoften; door klanksubstitutie bij ’t overnemen in diall., waar ’t woord niet van ouds bestond? Ook mag aan invloed van schaffen in de bet. “opdisschen” gedacht worden: ndl. dial. en ndd. schaffen komt ook = “eten, schaften” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schaffen 2, schaften o.w. (voor het eten zorgen), vervormingen van schoften: z. schoft 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schochten, ww.: schaften. Door wisseling ft/cht uit schoften; zie sjoeften.

sjoeften, ww.: zwoegen. D. schuften ‘zwoegen’. Het werkwoord schuilt in Mnd. schoftît, schochtît ‘werktijd van drie uur, vierde deel van een arbeidsdag’ en berust op Ndd. schuft ‘arbeid, tijd waarin ononderbroken gewerkt wordt, deel van een werkdag tussen twee maaltijdpauzes’. Zw. skoft ‘overwerk in de vrije tijd’. Vgl. Vl. en Br. schof, Ndl. schoft ‘vierde deel van een werkdag, drie uur’. Mnl. schof ‘schoft’, Vnnl. schof, schoft ‘quadrans operae’, schoffen, schoften ‘om de drie uur rusten’ (Kiliaan), 1678 ghewerckt vijf en twintig daghen min een schof, Gent (LC). Ww. schoven ‘rusten na een schoft, schaften; een middagdutje doen’. Verbaalstam van schuiven. Vgl. D. in einem Schub ‘in één keer’. Uit schoften, met klinkerwijziging, Ndl. schaften.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schoffen (K), ww: schooien. Vroegnnl. schoffen, schoflen ‘pascere aut quies-cere quatuor statutis vicibus sive horis diei (om de drie uur rusten)’ (Kiliaan), waaruit met klinkerwijziging Ndl. schaften. Zie schof 2. D. < Ndd. schuften betekent evenwel ‘hard werken’. De bet. ‘schooien’ (K) vanwege de burgerlijke minachting voor de arbeider, die schoft. Afl. schoffer (K) ‘schooier, klaploper’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schaften (schaftte, heeft geschaft), eten tijdens een werkonderbreking, op het werk of thuis. Ik kreeg opeens een razende honger, terwijl ik net aan* het werk nog geschaft had (Rappa 1984: 140). Vooral zijn moeder doet hij pijn, zijn moeder die toch zo haar best doet om het eten steeds op tijd klaar te hebben wanneer papa komt schaften en de kinderen thuis komen van school (BN 115: 34; 1979). - Etym.: Het gebeurt i.h.a. op een vaste tijd, schafttijd, die i.h.a. omstreeks 10 uur begint. In Ned. in s. een volkse term en tegenwoordig alleen gebr. voor het tussentijds op het werk eten door werklieden. In Sur. is de term alg., bijv. alle ambtenaren schaften.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schaften (niks te -- hebben) (Duits schaffen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schaften, schaffen ‘eten tijdens werkonderbreking; (verouderd) voedsel verschaffen’ ->? Engels scaff ‘bedelen; (verouderd) klaplopen’ (uit Nederlands of Duits); Deens skaffe ‘(zeemanstaal) eten’; Noors skafte ‘(zeemanstaal) eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skaffa ‘(zeemanstaal) eten’; Fins † kahvata ‘eten (zeemanstaal)’ <via Zweeds>; Frans dialect scafer ‘schrokken; stiekem drinken’; Zuid-Afrikaans-Engels scoff ‘eten tijdens werkonderbreking, (op)schrokken’; Skepi-Nederlands skaf ‘eten’; Sranantongo schaft ‘eten tijdens werkonderbreking’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schaften* eten tijdens werkonderbreking 1886 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal