Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schandaal - (aanstoot; schandelijk feit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schandaal zn. ‘aanstoot; schandelijk feit’
Mnl. eerst scandele, schandele ‘ergernis, aanstoot’ [1291-1300; VMNW]; vnnl. schandael ende ongheloove ‘aanstoot en ongeloof’ [1566; WNT], Is dit geen schandael ‘is dit niet ergerlijk?’ [1671; iWNT]; nnl. het schandaal van hunne misdaden ‘de slechte naam van hun misdaden’ [1721; Weyerman 1980].
Ontleend, in de oudste attestatie rechtstreeks (wat blijkt uit de klemtoon op de eerste lettergreep), maar later via Frans scandale ‘aanstoot, gelegenheid tot zonde’ [12e eeuw; Rey], later ook ‘tumult’ (als escandale [ca. 1360; Rey]) en ‘oorzaak van publieke afkeuring’ [1541; TLF ], aan Laatlatijn scandalum ‘aanstoot, oorzaak van zonde’, dat ontleend is aan Grieks skándalon ‘valstrik, hindernis waar men over struikelt, aanstoot’. Dit woord wordt in de Bijbel overdrachtelijk gebruikt om een oorzaak van of aanleiding tot zonde aan te duiden.
schandalig bn. ‘schandelijk’. Nnl. schandalig (‘schandelijk’) en onverdragelijk [1862; Navorscher, 40]. Afleiding van schandaal. Eerder al gebruikte men het bn. sc(h)andaleus ‘schandalig’ [1540; WNT beeld], ontleend aan Frans scandaleux ‘id.’ [1365; TLF], dat via middeleeuws Latijn scandalosus ‘afschuwelijk’, een afleiding met -osus ‘vol van’, ook teruggaat op scandalum. Daarnaast kwam in het Vroegnieuwnederlands voor het rechtstreeks met volksetymologische aanpassing aan scandalosus ontleende schandeloos ‘schaamteloos, schandalig’ [1516; MNHWS], ook schandaloos ‘id.’ [ca. 1540; WNT toomen]. Ook vnnl. tot schandalizatien vanden ommestaenders [1558; Stall.]
Lit.: C. Weyerman (1980), De Rotterdamsche Hermes, ed. A. Nieuweboer, Amsterdam, 277

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schandaal [aanstoot] {1566} < frans scandale [idem], evenals middelnederlands schandel(e) [aanstoot, ergernis] < latijn scandalum [aanleiding tot verzoeking, verzoeking, aanstoot, ergernis, ketterij, onrust] < grieks skandalon [valstrik, hindernis waarover men struikelt], waarbij gedacht moet worden aan een val waarin lokaas is bevestigd.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Schandaal

Via het Franse woord scandale is ons schandaal ontleend aan het Latijnse scandalum en het Griekse skandalon. De betekenis is oorspronkelijk: aanstoot, ergernis, verleiding. Natuurlijk is er verwantschap met het zelfstandige naamwoord schande, dat uit Middelnederlands scaemde is ontstaan en dus kennelijk familie is van schaamte, maar ook van het werkwoord schenden. Van schandaal zijn twee bijvoeglijke naamwoorden afgeleid, n.l. schandalig en schandaleus. Het laatste is alweer een ontlening, n.l. aan het Franse scandaleux. Vroeger gebruikte men ook schandaloos uit Latijn scandalosis, maar deze vorm is in onbruik geraakt, waarschijnlijk doordat verwarring dreigde met het achtervoegsel -loos: zonder. Het Fries kent echter skandeloas nog.

Het werkwoord bij deze groep is schandaliseren: te schande maken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schandaal znw. o., sedert Kiliaen < fra. scandale < lat. scandalum < gr. skándalon ‘aanstoot, ergernis, verleiding’. Het mnl. scandele v., scandel o. betekent nog ‘ergernis, verleiding’; later heeft het woord schande invloed op de bet. uitgeoefend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schandaal znw. o., sedert Kil., die de bet. “scandalum, offendiculum” opgeeft. Uit. lat. scandalum (< gr. skándalon) “aanstoot, ergernis, verleiding”. In de bet. door schande beïnvloed. Scandalum is reeds mnl. als scandele v., scandel o. “ergernis, verleiding” ontleend. Ook komt ’t ww. schandaliseren (schandaliseeren) (< gr.-lat. scandalizâre) reeds mnl. voor met de bet. “ergeren, verleiden, te schande maken”. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schandaal. In tegenstelling met het rechtstreeks aan gr.-lat. scandalum ontleende mnl. scandele v., scandel o. moet schandaal eerder als ontl. uit fr. scandale worden beschouwd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schandaal o., uit Fr. scandale, van Lat. scandalum, Gr. skándalon = struikelblok, ergernis, bij Skr. wrt. skand: z. schaal 1. Mnl. scandel(e) rechtstreeks uit Lat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjendaol (zn.) schandaal; Vreugmiddelnederlands schandele <1291-1300> < Frans scandale.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schandaal’ (het), (ook:) 1. lawaai, herrie. Eén sloeg met een eri-dori stok op een verroest blik en wij zongen: ’Lang zal ze leven!’ Dat vond mis* Francina niet goed. ’Hou jullie op met dat schandaal’, en we moesten ophouden (Hijlaard 70). - 2. ruzie. Er is schandaal op straat. Een heleboel mensen staan te kijken (Hijlaard 34). - Etym.: AN s. heeft verschillende bet. die alle te maken hebben met ’aanstoot’ of ’opspraak’. - Zie ook: herrie*, kroetoe*.
— : schandaal maken (maakte, heeft gemaakt), 1. lawaai maken, herrie schoppen. Met het aanbreken van den dag, toen Spin wilde vertrekken, vroeg hij om de beide ganzen, die hem onmiddellijk werden gebracht; doch toen hij zag, dat zij dood waren, begon hij nog erger dan de vorige maal te schreeuwen en schandaal te maken (van Cappelle 261). - 2. ruzie maken. Hij kon niet lang blijven op een school, want als zijn moeder schandaal ging maken, wanneer hij straf had gekregen, mocht ze hem meenemen (Hijlaard 69). - Etym.: Zie schandaal*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schandaal: iemand die zich schandalig gedraagt, die aanstoot geeft.

Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen hoe menheer zoo’n vuil schandaal van de straat meê naar boven heeft gedragen. (Jan Jacob Cremer, Fabriekskinderen 1863)
Ik moet je onder mij hebben, schandaal. (Roobjee, Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld, 1977)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schandaal (Frans scandale)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schandaal ‘aanstoot’ -> Indonesisch skandal ‘aanstoot’; Papiaments skandal (ouder: schandaal) ‘aanstoot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schandaal aanstoot 1566 [Toll.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut