Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schelling - (munt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schelling* [zesstuiverstuk] {sc(h)ellinc, sc(h)illinc 1220-1240} gevormd met de uitgang -ing als in penning, zilverling, sterling van schild, middelnederlands schilt, schelt, skilt [(borst)schild, wapenschild, muntsoort] (vgl. shilling); voor de betekenis vgl. ecu1, scudo, escudo.

schilling [Oostenrijkse munt] {1926-1950} < hoogduits Schilling, hetzelfde woord als schelling.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schelling znw. m. of schilling, mnl. scellinc, scillinc, ook scēlinc m., os. skilling, ohd. scilling (nhd. schilling), ofri. skilling, oe. scilling (ne. shilling), on. skillingr, got. skilliggs.

De etymologie is onzeker. — 1. Met suffix -linga van de wt. *skel gevormd, dan dus eig. een stuk, dat van goud- of zilverringen afgeslagen werd om als betaalmiddel te dienen (Persson KZ 33, 1895, 286). Maar het woord wordt alleen voor munten gebruikt en het is dus te betwijfelen, of het ooit een stuk van een staaf edel metaal heeft aangeduid. — 2. De oudere vorm zou *skildling en dus een afl. van schild zijn, vgl. mlat. scudatus aureus, ital. scudo, nfra. écu (E. Schröder ZfdA 48, 1906, 254). Heinertz, Etym. Stud. 1927, 59-60 meent, dat het woord eerst een borstsieraad zou hebben aangeduid. — Daar de namen eerst vrij laat optreden, kunnen zij voor het ontstaan van het germ. woord geen bewijskracht hebben, daarom denkt Marstrander NVA 1924 Nr. 9, 25 aan een woord *skildulingaz, dat eens de romeinse munten zou hebben aangeduid, wijl zij leken op de clipeoli of medaillons op de grafreliëfs. — De afl. van schel 2 en dus eig. ‘klinkende munt’ is onwaarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schelling, schilling znw., mnl. scellinc, scillinc (scēlinc) m. (gh). = ohd. scilling (nhd. schilling), os., ofri. skilling, ags. scilling (eng. shilling), on. skillingr, got. skilliggs m. “schelling”. Uit ’t Got. obg. sklędzĭ gr.“nómisma”. Oorsprong onbekend. Men heeft schel II gecombineerd, uitgaande van de bet. “klinkende munt”, maar ook de basis sqel- “snijden” (zie schel I), van “afgesneden stuk metaal” uitgaande. Met ’t formans -(l)iŋʒa- ook andere muntnamen, zooals penning, ohd. silbarling, cheisuring m.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schelling. De hypothese van Edw. Schröder KZ. 48, 262, die het woord als -ling-afleiding bij schild opvat, verdient overweging (-ll- < -ldl-), al zijn er formele bezwaren (got. skildus ‘schild’ naast skilliggs). Misschien heeft het ospr. een (borst)versiersel aangeduid. Vgl. ook Heinertz Et. St. z. Ahd. 59 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schelling m., Mnl. schellinc, Os. skilling + Ohd. scilling (Mhd. schillinc, Nhd. schilling), Ags. scilling (Eng. shilling), Ofri. skilling, On. skillingr (Zw. en De. skilling), Go. skilliggs. Het kan een afleid. zijn van *schellen (dus = klinkende munt: z. schallen 2), of liever van schelen (dus = kleingeld: z. schelen en vergel. Hgd. scheidemünze, De. skillemynt). Uit Germ. komt Fr. escalin.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schelling ‘zesstuiverstuk’ -> Engels † escaline ‘Vlaamse munt’ ; Engels † schelling ‘munt van de Nederlanden’; Engels † skilling ‘munt van de Nederlanden; oude Scandinavische munt(eenheid)’; Deens skilling ‘oude Deense munt, gebruikt van de 15e tot en met de 19e eeuw’ (uit Nederlands of Engels); Frans escalin ‘geldstuk; (verouderd) paard dat geleend werd voor een geldstuk’; Berbice-Nederlands skelingi ‘zesstuiverstuk’; Sranantongo sren ‘zesstuiverstuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schelling* zesstuiverstuk 1220-1240 [CG II1 Aiol]

schilling munteenheid van Oostenrijk 1930 [Oosthoek's geïll. enc. 2] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut