Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoft - (schouder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoft 2 zn. ‘schouder van (groot) dier’
Vnnl. schoft ‘schouder’ [1573; Thes.], schocht, schoft [1599; Kil.].
Wrsch. ontleend aan Middelnederduits schuft ‘schouder’.
Binnen de Germaanse talen zijn er verder geen vergelijkbare woorden. Toch correspondeert het woord formeel en semantisch met: Sanskrit śúpti- ‘schouder’; Avestisch supti- ‘id.’; Albanees sup ‘schouder, rug’ en lijkt dus terug te gaan op < pie. *(s)ḱup- (IEW 627). Zie ook → heup.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoft2 [schouder] {1573} vermoedelijk < middelnederduits schuft, verwant met albaans sup, oudindisch śupti- [schouder].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoft 2 znw. v. (van een dier), dial. brab. schocht, eerst sedert Kiliaen schoft, schocht, mnd. schuft m. < germ. *skuftu van idg. *(s)ḱup- ‘schouder’, vgl. oi. śupti- ‘schouder’, alb. sup ‘schouder, rug’ (IEW 627).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoft II (van een dier), dial. (brab.) schocht, sedert Kil.: schoft, schocht. = mnd. schuft m. “schoft”, wsch. oergerm. *skuftu-. Verwant met alb. sup, oi. çúpti- “schouder”. Met ’t oog op den alb. vorm, die bezwaarlijk pt kan gehad hebben, mogen wij idg. pt niet uit bt verklaren en heup combineeren; de idg. basis was (s)ḱup-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoft 2 v. (schouder), + Ndd. en Oostfri. id. + Skr. çuptiṣ, Alb. sup.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schocht, zn.: schoft, schouder van paard of rund. Vnnl. schocht, schoft ‘Kiliaan). Var. van schoft met de bekende cht/ft-wisseling, vgl. Mnl. brulocht ‘bruiloft’. Ndl. schoft ‘schouder, hoogste deel van de rug (van een groot dier)’. Mnd. schuft. Vermoedelijk verwant met Oind. súpti ‘schouder’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schocht, zn.: schoft, schouder van paard of rund. Vnnl. schocht, schoft ‘Kiliaan). Var. van schoft met de bekende cht/ft-wisseling, vgl. Mnl. brulocht ‘bruiloft’. Ndl. schoft ‘schouder, hoogste deel van de rug (van een groot dier)’. Mnd. schuft. Vermoedelijk verwant met Oind. súpti ‘schouder’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2skof s.nw.
1. Hoogste deel tussen die rug en nek by viervoetige diere. 2. Deel van 'n trekos teen die juk. 3. Breë, krom rug tussen die skouers by die mens.
In bet. 1 uit Ndl. schoft (1855 - 1869). Bet. 2 en 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. schoft hou wsk. verband met Sanskrit s(j)upti 'skouer'.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schocht (W), zn. m.: hoge rug. Vnnl. schocht, schoft 'rug, bochel' (Kiliaan). Var. van schoft met de bekende wisseling ft/cht (vgl. bruiloft, brulocht). Ndl. schoft 'schouder, hoogste deel van de rug (van een groot dier)'. Mnd. schuft. Vermoedelijk verwant met Oind. súpti 'schouder'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skof II: mv. skowwe, hoë deel tussen rug en nek (by viervoetige diere, ook toeg. op skouerblaaie v. mens); Ndl. schoft (by Kil schoft/schacht, dial. schacht) hou wsk. verb. m. Skt. s(j)upti, “skouer”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoft schouder 1573 [Claes] <Nederduits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑up- ‘Schulter’, (germ. mit anlaut. s-)

Ai. śupti-, av. supti- ‘Schulter’; alb. sup ‘Schulter, Rücken’ (ohne formantisches -t-); mnd. schuft m., ostfries., ndl. schoft ‘Vorderschulterblat einer Kuh, eines Pferdes’ (*skuftu-).

WP. I 467.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal