Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoon - (rein; mooi)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoon 1 bn. ‘rein; mooi’
Onl. skōni ‘mooi; zuiver, deugdzaam’ in Wie scone sint thine spune ‘hoe mooi zijn je borsten’, thie scona sinne ‘de mooie gedachten’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)one ‘schoon’ in Of tu dat antlítte wile scone maken ‘als je het gezicht schoon wilt maken’ [1250; VMNW], van spiscepe scone tevaghene binnen ende buten ‘voor het van binnen en van buiten schoonvegen van proviandschepen’ [1286; VMNW], schoon in schoon te maken [1377-78; MNW].
Os. skōni (mnd. schöne); ohd. scōni (nhd. schön); ofri. skēne (nfri. skjin); oe. scēne; got. skauns; alle ‘mooi’, < pgm. *skauni-. Een vroege ontlening aan de nominatief pgm. *skauniz is Fins kaunis ‘mooi’ (Kylstra 1991: 62). Mogelijk hoort hierbij ablautend on. kinn-skjóni ‘paard met felle vlekken’ (nijsl. skjóni) < pgm. *skeuna-. Wrsch. een afleiding van de wortel pgm. *skauw- van het zwakke werkwoord *skauwōn- ‘zien, aanschouwen’, zie → schouwen. De oorspr. betekenis zou dan ‘zichtbaar, opvallend’ zijn.
De oorspr. betekenis in alle Germaanse talen is ‘mooi’, met betrekking tot het uiterlijk of de eigenschappen van personen, voorwerpen of abstracte zaken. In het BN is deze betekenis net als in het Duits nog steeds algemeen. In het moderne NN is ze verouderd, behalve in enkele vaste combinaties, samenstellingen en afleidingen, bijv. de schone kunsten ‘schilderkunst, beeldhouwkunst e.d., die niet zozeer praktische, maar mooie dingen voortbrengen’, een schone kans ‘een gelegenheid die gunstige verwachtingen opwekt’ (vooral in zijn kans schoon zien ‘de gelegenheid te baat nemen’), schone schijn ‘bedrieglijk voorkomen’, duizendschoon ‘bepaalde sierplant’, schoonrijden ‘op sierlijke wijze schaatsen’, schoonschrift ‘sierlijke schrijfstijl’, het schoon ‘het mooie’ (natuurschoon, vrouwelijk schoon), schoonheid, en zie het bijwoord → schoon 2 en het voorvoegsel → schoon- ‘aangetrouwd’. Gelijktijdig groeide het betekenisaspect ‘zuiver, rein’ uit tot de algemene betekenis ‘vrij van vuil of onreinheden, niet vies’.

schoon 2 bw. ‘geheel en al’
Mnl. sc(h)one ‘geheel en al’ in verdreef die Goten scone Uten lande van Nerbone ‘(hij) verdreef de Goten geheel en al uit het land van Narbonne’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. schoon ‘zeer, volstrekt, geheel en al’ in Dat was een schoon Leelicke vuyle zwadde ‘dat was een zeer lelijke vuile vrouw’ [ca. 1561; iWNT]; nnl. De boel is schoon op ‘alles is helemaal op(gegeten)’ [1867; iWNT], zij hebben schoon gelijk [1903; Gids], Maar ik heb er dan ook schoon genoeg van [1922; Gids].
Bijwoord bij → schoon 1.
Ohd. scōno ‘mooi’ (nhd. schon ‘al’); < pgm. *skaunō.
In combinatie met bijvoeglijke naamwoorden kon het bijwoord een algemeen versterkende betekenis krijgen, zoals bijv. ook gebeurd is met → goed 1 (ergens goed ziek van worden, en zie → wel 1), → hard (mnl. harde, ook ‘zeer’), → erg. Duits schon heeft al in de Vroegmiddelhoogduitse periode een vergelijkbare betekenisontwikkeling ondergaan en is het gewone woord voor ‘al’ geworden. Het is niet ondenkbaar dat Nederlands schoon genoeg ervan hebben ‘er volstrekt genoeg van hebben, het helemaal zat zijn’, dat pas in de 20e eeuw is geattesteerd, is beïnvloed door Duits schon genug davon haben ‘al genoeg ervan hebben, het al zat zijn’.
Andere nog in gebruik zijnde Nederlandse combinaties met dit bijwoord zijn schoon gelijk en schoon op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoon* [rein, mooi] {oudnederlands sconi 901-1000, middelnederlands schone [schitterend, stralend, zuiver, mooi]} oudsaksisch, oudhoogduits skoni, oudfries skene, oudengels sciene (engels sheen), gotisch skaunjai (mv.). Van dezelfde stam als schouwen1 [kijken naar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoon bnw., mnl. scône, os. skōni, ohd. scōni (nhd. schön), ofri. skēne, oe. scīene (ne. sheen), got. skauns ‘mooi’ < germ. *skauni, afgeleid met het suffix -ni van de stam van schouwen.

De eig. bet. is. ‘schitterend, glanzend’, waaruit enerzijds ‘mooi’, anderzijds ‘zuiver, niet vuil’. — Het bijw. schone, schoon krijgt tegen 1500 de bet. ‘al’, waaruit de voegw. schoon en ofschoon. — De samenstellingen schoonbroeder, schoonzuster enz. ontstonden sedert de 15de en 16de eeuw als vertaling van fra. beau-frére enz.; in het ofra. werd beau gebruikt bij het aanspreken in hofkringen zoals beau sire, bel ami; later overgedragen op de aangetrouwde verwanten. — Een taalkaart voor schoonzuster geeft P. J. Meertens, Taalatlas afl. 5, 7; daaruit blijkt dat het oude woord snaar voorkomt in Noord- en Zuid-Holland, Friesland, Groningen en Drente, terwijl in het Oosten van ons land zwagerin en dergel. vormen voorkomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoon bnw., mnl. scône. = onfr. scôni (gen. scônis; ook als verschrijving voor den dat. van ’t substantief scôni “species” opgevat), ohd. scôni (nhd. schön), os. skôni, ofri. skêne, ags. scîene (eng. sheen), got. skauns “ mooi”, oorspr. “schitterend, glanzend”, welke bet. in sommige talen nog uitkomt en waarop de bet. “zuiver, niet vuil” van ndl. schoon, mnl. scône direct teruggaat. Uit germ. *skau-ni- (een formatie als rein): bij schouwen; voor de bet. vgl. o.a. mnl. siene “schoon” bij zien. Tegen 1500 begint bij ’t bijw. schône, schoon de bet. “al” op te komen, in verbindingen als Wat helptet oft hijt schoon lange weet, ende doet het niet! Hieruit ontwikkelden zich de voegww. schoon en ofschoon.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoon. Uit het Germ. fins kaunis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoon 1 bijv.(mooi), Mnl. scone, Onfra. scôni, Os. skôni + Ohd. id. (Mhd. schœ̂ne, Nhd. schön), Ags. scýne (Eng. sheen), Ofri. skéne. Go. skauns: partic. afleid. van schouwen, dus = bezienswaard; cf. Lat. spectabilis en ons afzichtelijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjoen (bn.) mooi; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) schoen, Vreugmiddelnederlands skoni <1100>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schoon, bn.: mooi; schoon, zuiver. Het woord heeft in het Zuiden algemeen de oorspronkelijke bet. ‘mooi’. Blijkens CV heeft (had?) het woord in het Antwerps ook de AN-betekenis ‘zuiver, net’, b.v. schoon water, ’n schoon hemd.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

schoon zn. o.: nageboorte (van rund of paard). Ook Vl. Het zelfstandig gebruikte bn. schoon in de bet. ‘vrij van onzuiverheid, van de ingewanden ontdaan’. Ook schoonsel, schoon(ge)maaksel. Het woord is het als zn. opgevatte bw. in het ww. schonemaken ‘schoonmaken, goedaardige afscheiding geven na het kalven’ (WVD-Kontakt 1993, 2, 13-14).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schoon (G, noordwest, ZV), schone (west), zn.: nageboorte (van rund). Ook Wvl. Het zelfstandig gebruikte bn. schoon in de bet. 'vrij van onzuiverheid, van de ingewanden ontdaan'. Ovl. ook schoonsel, schoon(ge)maaksel (ook ZV) en Ovl. antoniem vuil. Het woord is het als zn. opgevatte bw. in het ww. schonemaken 'schoonmaken, goedaardige afscheiding geven na het kalven' (WVD-Kontakt 1993, 2, 13-14).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schoon, schone (DB, WVD), zn. o./v.: nageboorte (van rund). Het zelfstandig gebruikte bn. schoon in de bet. ‘vrij van onzuiverheid, van de ingewanden ontdaan’, vgl. Ovl. schoonsel, schoon(ge)maaksel en Ovl. antoniem vuil. Het woord is het als zn. opgevatte bw. in het ww. schonemaken ‘schoonmaken, goedaardige afscheiding geven na het kalven’ (WVD-Kontakt 1993,2,13-14).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schoon: schone droom (de, dromen), droom met een herkenbare boodschap. - Zie ook: goede* en slechte* droom.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

schone Jonge jenever of brandewijn zonder suiker. In 1962 voor het eerst opgetekend in een lijst met borrelnamen. Er staat bij ‘uit de volksmond’. Jonge jenever is lichter van kleur dan oude of belegen, en oogt dus ‘schoner’. Ook door het weglaten van suiker blijft de drank helderder. Tegenwoordig wordt deze borrelnaam nog gebruikt in Groningen, Drente en de Achterhoek. Men spreekt kortweg van een schone of voluit van een schone borrel. Die laatste aanduiding komt vaker voor, aldus een Drents woordenboek, dat echter als voorbeeldzin geeft ‘doet mij maar een schone’. Een informant uit Stavoren schreef:

Als we bij mijn grootmoeder kwamen, vroeg ze aan ons: ‘Wat wist uut de roomer, een skone?’ [Wat wil je uit het glaasje, een schone?] En als we knikten schonk zij ons jonge jenever in.

In het Engels zegt men sinds het begin van de 19de eeuw van pure, onverdunde sterke drank clean from the still ‘schoon uit de branderij’.
Vergelijk klare.

[Eysden 83; Kocks 1077; Schaars 414]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoon, van den Germ. wt. skau = schouwen, zien (vgl. beschouwen); schoon w.d.z.: wat gezien kan worden, wat toonbaar is, en hieruit ontwikkelde zich de bet.: wat mooi is. In schoonvader, enz. is schoon een letterlijke (bij ons dus vrijwel zinledige) vertaling van ’t Fr. beau = schoon, beau-pere, enz.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

schoon (schoon hebben te -). - Een bekend Fransch idiotisme is de uitdrukking avoir beau gevolgd door eene onbepaalde wijs. Op de volgende plaats is ze letterlijk vertaald. Dit is een ergerlijk gallicisme: in onze taal gebruikt men een tusschenzin, b.v. on a beau dire = wat men ook zeggen moge; on a beau faire = wat men ook doen moge; vous avez beau prier, attendre = ge moogt bidden, wachten zoo lang ge wilt; ils eurent beau crier, on ne les entendit point = hoe hard ze ook schreeuwden, vergeefsch was al hun geschreeuw, men hoorde hen niet. Slechts in één geval gebruikt het Nederlandsch eene constructie, die eenigszins met de Fransche overeenkomt: voor vous avez beau dire namelijk zegt men in Noord-Nederland gij hebt goed praten, in Zuid-Nederland, althans te Gent: gij hebt wel te zeggen. || Hij poogde vruchteloos kalm te blijven; hij had zich schoon met wilskracht en zelfs met een inwendigen toorn te stalen tegen de ontzenuwende emotie, die enz., BUYSSE in De Gids 1895, II, 20.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoon ‘rein, mooi’ -> Deens skøn ‘rein, mooi’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjønn ‘rein, mooi’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skön ‘rein, mooi’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands skoon ‘rein, mooi’; Berbice-Nederlands skono ‘rein, mooi’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoon* rein, mooi 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

125. Hoe later op den avond hoe schooner volk,

een gezegde, dat de Duitschers in dezelfde beteekenis kennen als wij, blijkens Wander I, 7: Je später um den Abend, je schöner die Leute (oder Gäste), ein Compliment, mit dem der Holsteiner um die Abendzeit anlangende liebe Besuche zu empfangen pflegt; Eckart, 2: Je later up 'n Avend, je moier de Lü; je later up den Dag, je beter Lüde (Taalgids IV, 275). Bij ons dagteekent deze zegswijze uit de 17de eeuw; zie Paffenr. 62: Hoe later op den dagh hoe schoonder vollik; Kluchtspel III, 307: Hoe laater op den dag, hoe schoonder volk. Wie heeft zijn leeven! Een veenboer in een koffyhuis! Janus 48: Hoe later op dena vond, hoe zoeter gezelschap; in Zandstr. 90: Hoe later in den avond hoe beter volk; Schuermans, Bijv. 15 b; in Zuid-Nederland ook hoe later op den avend hoe viezer (= vreemder) of schoonder volk, omdat men dan meer gedronken heeft (Antw. Idiot. 169; Teirl. 88); Gron.hou loater op de oavend, hou mooyer volk (of ), een compliment voor een bezoek, laat in den avond (Taalgids IV, 275); de. jo sildigere om Aftenen, jo smukkere Folk.

129. De baan is schoon,

de gelegenheid is gunstig (daar niemand in den weg staat om dat, waartoe de gelegenheid gunstig is, te verhinderen); in de 17de en 18de eeuw zeide men hiervoor de baan is klaar. Vgl. Waasch Idiot. 230 a en De Bo, 341: het gat schoon hebben, vinden of zien; in Boerekrakeel, 41: de baan schoon schrobben. Zijn baan schoon- of klaarmaken, -vegen, zich verontschuldigen, zich vrijpleiten; syn. zijn pad schoonmaken (Westerb. II, 457; Tuinman I 7; vgl. Ter B. 299; A. 577; 393); Willem Leevend VIII, 233: zijn baan schoonvegen; Ndl. Wdb. II, 809 en 811.

225. Nieuwe bezems vegen schoon.

Dit wordt gebezigd in toepassing op hen, die nog korten tijd in dienst zijn en hun plicht nauwgezet waarnemen; nief meisens dienen goed (Antw. Idiot. 1648). Vgl. Werner, blz. 73: Pulverulenta novis bene verritur area scopis; bl. 74: Quam bene, quam munde scopa nova purgat abunde; Bebel no. 280: Dicunt nostri: Novam scopam bene purgare et verrere domum: sic novos servos in principio bene servire. Voor de 16de eeuw vgl. Prov. Comm. 549: Nieuwe bessemme veeghen wel; Campen, 133: Nye bessemen veghen schoone; Spieghel; 300; De Brune, 453:

 Nieuwe bezems vaeghen best,
 Beter als zy doen op 't lest.

Zie verder Harreb. I, 54 a; Taalgids V, 158; Büchmann, 94; Eckart, 44; Welters, 107: Nieuwe bezems keren goed; Joos, 160; Antw. Idiot. 217; Waasch Idiot. 106 b: Nieuwe bessems vagen goed, maar die eerst een bessem was, wordt daarna een schrobber, nieuwigheid behaagt, maar duurt niet lang; vgl. het fri: nije biezems feije skjin; fr. un balai neuf nettoie toujours bien; hd. neue Besen kehren gut; eng. new brooms sweep clean; nd. nigge messer snihet scharp; nigge Mïagde lopet harde (Jahrb. 38, 160). In het Fransch noemt men een nieuwe dienstbode un nouveau balai; deze zegt van zich zelf faire balai neuf.

343. Zoo helder (schoon, zuiver) als een (de) brand,

d.w.z. zeer, buitengewoon helder; eig. zoo helder, blinkend als de kling van het zwaard, in welke bet. brand (eng. brand; to brandish) vroeger zeer gewoon was. Ook in de 17de eeuw: zoo bruin als een brand (V. Moerk. 225; Tijdschrift XVI, 288). Vgl. ook brandhelder, brandrein (in Kalv. I, 27), brandschoon en verder het Ndl. Wdb. III, 1051; Mnl. Wdb. I, 1419; Noord en Zuid XX, 130; Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 47: Overigens was zij 'n ‘brandje’ van zindelijkheid; Haagsche Post, 10 Juli 1915 p. 5. k. 1: Branie en brandnetjes heel zoo'n gezin bij het uitrukken vóór dag en dauw; Vragen v.d. Dag, 1913 p. 632: Een meid als een brand; Gallée, 6: 't Züt er ût as de brand, brandhelder; Goeree en Overflakkee: zij is as een brandje (zie N. Taalgids XIV, 255); friesch: sa sindlik of sa skien as de brân. In het Nederduitsch bestaan allerlei samenstellingen met brand (= zeer); vgl. brandfûl (zeer lui), branddür, brandbitter, brandsalt (ook salzig wie ein brand), enz.Korrespbl. XXVII, 5 en vgl. Paul, Wtb.: brennend neu, -mager, -fleiszig.

2015. Schoonschip maken,

d.w.z. in letterlijken zin het schip schoon maken (zie B.B. 49; 55; 68; 197, enz.In den zin van ‘zich van schuld zuiveren’, zich verontschuldigen, zijn pad schoonvegen of maken (V. Ghistele, Terent. Heaut. 57; Westerbaen II, 457; Antw. Idiot. 932) komt zijn schip schoon maken voor in Pamflet, Rogge II2, bl. 124 (anno 1600): Maer want men sommighe menschen vindt, die welgherust ende te vreden zijn als sy eenighe ontschult ghevonden hebben, om haer schip schoon te maecken. Vgl. voor Zuidndl. Joos, 115: Ieder maakt zyn schup (schip) schoon, ieder tracht zich te verontschuldigen. Evenzoo in Waasch Idiot. 578 b: Zijn schip schoonmaken, zich verschoonen, verontschuldigen.; fig. opruimen, opruiming houden (van personen of zaken); een toestand zuiveren; zijn schulden afbetalen; uitverkoop houden; vgl. Harreb. II, 250; Kmz. 158: Met alles te zeggen maak je schoon schip, met te verzwijgen blijf je gevallen vrouw; O.K. 170: Ze is waarachtig weer aan 't schoonschip maken tusschen de stamboomen; Het Volk, 6 April 1914, p. 8 k. 1: Aan het hoofd der bedrijven een sterke en aktieve wethouder staat, die zoo noodig schoon schip maken kan; Nw. Amsterdammer, 17 April 1915, p. 2 k. 2: Zulk eene partij moet juist die gebeurtenis als gelegenheid aangrijpen om schoon schip te maken met schrobbeering van de schneidigen; Handelsblad, 3 Maart 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.): En nu er schoon schip gemaakt werd zou tegelijkertijd eens opruiming gehouden worden in de verouderde bepalingen; 21 Sept. 1914 (avondbl.), p. 7 k. 4: Men (Het N. Tooneel) wil een fusie niet den troep van Verkade; voor dien tijd moet schoon schip worden gemaakt (schulden betaald) en dat nog wel ten koste van de artisten; Sjof. 252: Ze betaalde dan wel weer, as ze geld in d'r handen kreeg, maar schoon schip make, dat ging nooit; Ndl. Wdb. XIV, 700; fri. skjinskip meitsje.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

keu-1, skeu-, dehnstufig kēu- ‘worauf achten (beobachten, schauen)’, dann ‘hören, fühlen, merken’, schwere Basis kou̯ǝ-; s-Erweiterung keu-s-; über Formen mit anlaut. s- s. am Schlusse; kou̯o-s ‘sorgsam’; d-Erweiterung kēud-: kūd- in kēudos : kūdos ‘Ruhm’.

1. Ai. kaví- ‘klug, weise; Seher, Dichter’, kavārí- ‘eigennützig; karg’, á-kava- ‘nicht geizig’; ā-kúvatē ‘beabsichtigt’, ā-kūta- n., ā-kūti- f. ‘Absicht’;
av. čǝvīšī 1. Sg. Med. Aor. ‘ich erhoffte, versah mich’;
gr. κοέω ‘merke, höre’ (Denomin. von *kou̯os; = lat. caveō); *κοϝος steckt in ion.-att. ἀνακῶς ἔχειν ‘Sorge tragen’; dor. ἐκοᾶμες· ἠκούσαμεν Hes.; κοίης, κοιόλης ἱερεύς; κοῖον, κώιον· ἐνέχυρον; κοῦα, κῶα ἐνέχυρα Hes.; maked. κοῖος ‘Zahl’; PN Λᾱο-κό(ϝ)ων, Λᾱο-κόωσα, usw.; κῦδος n. ‘Ruhm’ (s. unten zu slav. čudo);
von der Basis keu-s-: ἀκούω ‘höre’ (*ἀκουσι̯ω), ἀκοή, hom. ἀκουή ‘Gehör’ (*ἀκουσά̄), ὑπήκοος ‘gehorsam, untertan’, lak. ἐπά̄κοος ‘Zeuge’, ἀκεύει· τηρεῖ Hes., gort. ἀκεύοντος (mit altem e-Vok., während ἀκούω von *ἀκουσά: abhängt); über κῦδος s. unten;
ἀκούω usw. zunächst mit got. hausjan usw., s. unten, verwandt; ἀ- ist kaum = ‘ἐν’, sondern = ἁ- (*hα-κουhι̯ω, *hα-κευhω) durch Hauchdissimilation, oder idg. sm̥- ‘zusammen’; anders oben S. 18, wobei ἀκεύω Ablautneubildung sein müßte oder fernzuhalten wäre, was wenig wahrscheinlich ist;
lat. caveō, -ere ‘sich in acht nehmen, sich vorsehen’ (*covḗre, Denom. von *kou̯os), cautus ‘vorsichtig’, umbr. kutef wohl ‘*cautens’, ‘vorsichtig’;
got. hausjan, aisl. heyra, ags. hīeran, as. hōrian, ahd. hōr(r)en ‘hören’ (s. oben); dehnstufiges *kēu- in ags. hāwian ‘schauen’;
lett. kavēt (: lat. cavēre) ‘zaudern, zögern’;
wruss. s-kumá-ju, -ć ‘verstehen’, čech. koumati, s-koumati ‘merken, gewahr werden’ (Denominativ eines (s)kou-mo-, -mā); abg. čujǫ, čuti ‘fühlen, merken’, serb. čȕjēm čȕti ‘hören, fühlen’ (usw.; *kēu-);
abg. čudo, -ese ‘Wunder’, čuditi sę ‘sich wundern’ (*kēu-dos, ablautend mit:)
gr. κῦδος ‘Ruhm, Ehre’, κύ̄διστος ‘ruhmreichst’, eigentlich ‘wovon man hört’;
serb. čúvati ‘hüten’; ursl. *čevǫ, *čeviti in ačech. vš-čieviti, na-vš-čieviti, heute navštíviti ‘besuchen’.
keu-s- in russ. dial. čúchatь ‘wahrnehmen, hören’, sloven. čȗha-m, -ti ‘spüren, ahnen’, čech. čich ‘Sinn, Witterung, Spur’; vgl. oben zu ἀκούω.
2. Mit anlautendem s-:
miran. śkōh, np. šikōh, šukōh (uriran. *skau̯aθa-) ‘Pracht, Herrlichkeit, Majestät, Würde’; arm. c̣uc̣anem ‘lasse schauen, zeige’, c̣oyc ‘das Zeigen, Schau’ (skeu-sk̑ō);
gr. θυοσκόος ‘Opferschauer’;
got. us-skaws ‘(*ausschauend =) besonnen’, ags. scēawian, as. skauwōn, ahd. scouwōn ‘schauen’; aisl. skygn ‘sehend’, skygginn ‘klar’ (*skuvvini-), wovon skygna ‘spähen’; got. skauns ‘schön’ (ibna-skauns ‘von gleicher Gestalt’), ahd. scōni ds., aisl. skjōni, as. skōni ‘glänzend, schön’, ags. scīenc ds. (eigentlich ‘conspicuous’); tiefstufiges *sku-ni- in aisl. skyn f. n. ‘Ordnung, Bescheid, Einsicht’, skynja ‘untersuchen, verstehen’; aisl. skoða ‘spähen’;
apr. au-schaudītwei ‘vertrauen’.

WP. I 368 ff., WH. I 186 f., Trautmann 132.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal