Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoon- - (aangetrouwd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoon- voorv. ‘aangetrouwd’
Mnl. schone ‘geacht, eerbiedwaardig’, als bn. en in samenstellingen, in Hannin Sconeneve ‘aangetrouwde neef’ [1304; Stall. III, 269], Te uwen scoonheere ende te uwen sconer vrouwen ‘bij uw grootvader en bij uw grootmoeder’ [1350-1400; MNW schone I], Matten Buullen haerledere schoenvrauwe ‘Matte Bule hun grootmoeder’ [1409; Vlaamse Stam 1970, 623]; Grimbert, scone, wel soete neve [1380-1425; MNW-R], i.h.b. ‘door een huwelijk in de familie tredend’ in Schoonsone [1470; MNW], Onse harde lieve (‘zeer geliefde’) schoonedochtere, die hertoginne van Bourgoingnen [1477; MNW], Onser harde liever vrouwe ende schonemoeder ..., hertoginne van Bourgoengnen [1477; MNW], schoonvadere ‘schoonvader’ [1477; MNW].
Hetzelfde woord als → schoon 1 ‘mooi’, dat met betrekking tot personen in het Middelnederlands ook ‘geacht, eerbiedwaardig’ kon betekenen, hoewel dit gebruik zeldzaam is. Schoon- als eerste lid in samenstellingen moet dan ook worden gezien als leenvertaling van Frans beau- (m.) en belle- (v.) in de samenstellingen beau-fils ‘schoonzoon’, belle-mère ‘schoonmoeder’ enz. In het Frans werd beau ‘mooi’ al vanaf de 10e eeuw gebruikt in hoffelijke aanspreekvormen en verschijnt het vanaf de 13e eeuw in aanduidingen voor door een huwelijk in de familie tredende personen (TLF).
Het Nederlands had oorspr. diverse erfwoorden en inheemse afleidingen voor aangetrouwde familieleden: mnl. sweer ‘schoonvader’, swegher ‘schoonmoeder’, snare ‘schoondochter’, swagher ‘aangetrouwd familielid; schoonbroer; schoonzoon’, swaselinc, swaghelinc ‘schoonbroer; schoonzoon’. De meeste van deze woorden zijn in de standaardtaal vervangen door samenstelling met schoon-. Uitzonderingen zijn o.a. NN zwager (in het BN en SN meestal schoonbroer) en SN zwageres ‘schoonzus’. Een ander verouderd systeem van benamingen voor aangetrouwde familieleden is dat met het verl.deelw. van behuwen: mnl. behuwede sone > vnnl. behuwde zoon > nnl. behuwdzoon (zo ook behuwdvader enz.).
Lit.: Van der Sijs 2001, 362-368

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoonbroer* [zwager] {scoonbroeder 1555} evenals scoonsuster {1555} en scoonsone {1555} e.d. vertaald uit het fr.: beau-frère, belle-soeur, beau-fils etc.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoonbroeder, schoondochter, schoonmoeder, schoonvader, schoonzoon, schoonzuster znww., sedert de 15. en 16. eeuw. Naar fr. beau-frère enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoon 3 bijv., in samenst. met verwantschapnamen, is navolging van het Rom. (Fr. beau-père, belle-mère, enz.), waar schoon vaak synon. is van goed: vergel. besje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skoon- aanvangskomponent van selfst. samestellings soos skoonbroer, skoondogter, skoonfamilie, skoonma, skoonouers, skoonpa, skoonseun, skoonsuster.
Wat aangetroud is.
Uit Ndl. schoon- (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling skoonfamilie.
Ndl. schoon-, soos in schoonbroer, schoondochter, schoonfamilie, schoonmama, schoonmoeder, schoonouders, schoonpapa, schoonvader, schoonzoon, schoonzuster, is gevorm na analogie van Fr. beau- 'mooi, pragtig' in beau-fils, beau-frère, beau-parents, beau-père, belle-famille, belle-fille, belle-mère, belle-soeur.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schoon’broer (de, -s), zwager. Inplaats van blij te zijn, dat je een kapitein als schoonbroer krijgt, zit je maar de ene nonsens* na de andere uit te kraaien [zie uitkraaien*] (Defares 19). - Etym.: In AN veroud., in BN gebr. Vgl. AN schoonzuster = SN zwageres*.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoonbroer* zwager 1555 [Claes]

schoondochter* behuwddochter 1477 [MNW]

schoonmoeder* behuwdmoeder 1477 [MNW]

schoonvader* behuwdvader 1477 [MNW]

schoonzoon* behuwdzoon 1470 [MNW]

schoonzuster* behuwdzuster 1555 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal