Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schots - (ijsschol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schots 1 zn. ‘ijsschol’
Vnnl. schotse ‘ijsschots’ in geknelt tusschen een schotse in, dattet scheen dat de schuyt ... aen hondert stucken soude bersten [1598; iWNT knellen], schots, schotse van ijs, ijs-schotse [1607; Kil.].
Herkomst onbekend. Oude nevenvormen wijken af in eindklank: een schos ijs [1598; iWNT], 't Driftich ijs aen Hemelhooghe klippen; Daer schors op schorse schuyft [1613; iWNT schors I], Hoe dick de schorse wesen mag ‘hoe dik de ijslaag is’ [1627; iWNT schors I], Schossen ys zoo dick en hoog als bergen [1666; iWNT]. Mogelijk gaat het terug op → schors ‘buitenste laag van een boomstam’, dat overdrachtelijk de betekenis ‘ijslaag’ kreeg en waarbij dialectisch rs > ss: de t kan volksetymologisch zijn ingevoegd o.i.v.schots 2: ijsschotsen zijn meestal schots en scheef.
Deens (is)skosse ‘ijsschots’is wrsch. aan het Nederlands ontleend; in het dial. van Bornholm (DK) heet een schots skors, met een r als in de oude Nederlandse nevenvormen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schots1* [ijsschol] {schos 1598, schots(e) 1599-1607} fries skos; etymologie onbekend, misschien uit schors.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schots 1 znw. v. ‘ijsschots’, een vooral fries en holl. woord; laat-mnl. schossen mv., fri. skos kunnen een oudere vorm zijn, in welk geval dus ts als klankversterking (eerder dan als hypercorrecte vorm) zou moeten worden opgevat. Verder nog nnl. (17de eeuw) schorse, schors, nnd. schortse, waarvan men wel invloed van het woord schors vermoed heeft. — De herkomst van het woord is onbekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schots znw., nog niet bij Kil. Oorsprong onbekend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schots. Laat-mnl. (mv.) scossen, fri. skos doen vermoeden, dat ts jonger is en op hypercorrectie berust. Vroeg-nnd. schortse ‘ijsschots’, nnl. (17e-eeuws) schors(e) ‘ijsschots’ zullen wel geen oudere vormen zijn, maar op aanraking met schors berusten. Schots schijnt vooral fri. en holl. te zijn; elders op ndl. taalgebied is schol(le) gebruikelijk. Vgl. Kern Tschr. 39, 164 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schots 1 v. (ijsschol), oorspr. onb.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schots ‘ijsschol’ -> Vastelands-Noord-Fries skos ‘ijsschol’; Deens skosse ‘ijsschol’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schots* ijsschol 1599-1607 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut