Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schurft - (huidziekte; volksnaam of oude naam voor klein warkruid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schurft zn. ‘huidziekte (scabies)’
Mnl. sc(h)orf ‘schurft’, eerst als schoref [1240; Bern.], in essche blade met aisine ghestampet dat es medicine jeghen scorf ‘fijngestampte essenbladeren met azijn, dat is een medicijn tegen schurft’ [1287; VMNW], schorft ‘id.’ [1477; Teuth.]; vnnl. schurft, schorft ‘id.’ [1599; Kil.].
Nevenvorm van ouder schorft, gevormd met paragogische t zoals in → burcht, bij mnl. sc(h)orf ‘schurft’.
Mnd. schorf; ohd. scorf (nhd. Schorf); oe. sceorf, scurf (ne. scurf met /sk/ wrsch. onder Scandinavische invloed); nzw. skorv, nde. skurv; < pgm. *skurfa-. Ablautend zn. bij het sterke werkwoord *skerfan- dat alleen is overgeleverd als oe. sceorfan ‘afknagen, bijten’, zie → scherf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schurft* [huidziekte] {scho(o)rf, schurf 1287, schorft 1351} oudhoogduits scorf, oudengels sceorf, oudnoors skurfa, van dezelfde stam als scherf en schreef.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schurft znw. v. o., mnl. scorft, scōreft; daarnaast staan 1. scorfte, scoorfte, sceurfte v. en 2. scorf, scōref, scoorf, sceurf m.?, mnd. schorf, ohd. scorf (nhd. schorf), oe. sceorf, on. skurfa v. (maar blijkens nijsl. skurfur was er ook een *skurfr, waaruit me. ne. scurf). — Het woord bet. eig. ‘gekloofde, ruwe huidʼ en staat abl. naast scherf. Voor de bet. kan men vergelijken lit. kárpa, lett. kārpa, kārpis ‘wratʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schurft znw. (de, het), mnl. scorft, scōreft naast de oudere vormen 1. scorfte, scoorfte, scȫrfte v., 2. scorf, scōref, scoorf, scȫrf (m.?). Scorfte enz., ouder *scorfde is gevormd van ’t bnw. scorvet, scorft (ō, ȫ, u; d) “schurftig” (nnl. schurft bnw.) = mnd. schorvet (d), ags. scurfed “schurftig”. Dit is een afl. van mnl. sco(o)rf, scȫrf = ohd. scorf (nhd. schorf), mnd. schorf, ags. sceorf (uit ’t Skand.) scurf m. (eng. scurf) “schurft”, on. in skurf-ôttr “schurftig”. Van de idg. basis (s)qerep- “snijden, krassen”, waarvan ook scherf en schreef. Voor de bet. vgl. lat. scaber “schurftig”, scabiês “schurft” bij scabo “ik kras”. Met dgl. bet.-ontwikkeling als schurft lit. kárpa “wrat”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] schurft. Bij lit. kárpa adde: klruss. koropáwyj “ruw, met barsten”, slov. krapoti “soort schurft bij varkens”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schurft o., Mnl. scor(e)ft, afl. van synon. scorf + Ohd. id. (Mhd. schorf, Nhd. id.), Ags. sceorf, On. skurfr (Zw. skorf, De. skurv), bij dial. schurven = openkrabben + Hgd. schürfen, bij scherf en schreef. Eng. scurf uit Skand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skurf: b.nw., grof, oneffe, ru, skurftebesmet; Ndl. s.nw. en b.nw. schurft (Mnl. scor(e)ft/sco(o)rfte/scurfte naas scor(e)f/scoorf/scurf), Hd. schorf, Eng. scurf, hou verb. m. Lat. scaber, “skurftig”, en scabies, “skurfte”, v. skub – as s.nw. in Afr. skurfte (v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 26).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Skurf bnw. Segsw.: As jy nie skurf is nie, sal jy jou nie krap nie, van toepassing op iemand met ’n slegte gewete. – Ook Afr.: As ’n bok nie skurf is nie, sal hy hom nie krap nie! Sien Ndl. xiv. 1219, en nader aan Afrikaans Corn. en Vervl. 1088: Die niet schörftig is, moet hem niet krabben, die niets misdaan heeft, heeft zich niets te verwijten. Ook Schuermans 46 gee as Brabants op: Die niet schurft is, krabt hem niet.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

schurft. In het hedendaags Nederlands komt de verwensing krijg de/het schurft! voor om uiting te geven aan woede en andere frustraties. De betekenis is dan meestal ‘rot op’. Vaak wordt eraan toegevoegd en ik wens je korte armpjes, zodat je er niet aan kunt krabben! Iemand een parasitaire huidziekte toewensen, geeft aan hoe hoog de emoties bij boosheid kunnen oplopen. In Polletje Piekhaar [1935: 70] komt de variant de schurft voor je! voor. En een scholier uit Katwijk geeft op krijg schurft aan je hartkleppen! en krijg het hartkleppenschurft! Bij Sanders en Tempelaars (1998) vond ik ook krijg de schurft met een paar lamme vlerken! Op het Internet maakte men het nog bonter met krijg schurft aan je eikel!lijden (2), reetschurft.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Cuscúta | Cuscúta epithýmum: Klein warkruid
Het ‘verklaren’ van de Latijnse geslachtsnaam is ook hier geen gemakkelijke zaak, want er bestaan meerdere uitleggingen. We zullen hier enkele laten volgen, zonder zelf een bepaalde stelling of voorkeur te hebben. De zaak is namelijk nog niet voldoende uitgeplozen. Oudemans: ‘Van Italiaanschen oorsprong en synoniem met het Italiaansche cassuto. In het Grieksche nu beteekent kassutes, flikker, lapper, hersteller en het werkwoord kassutoo, flikken, lappen, herstellen, zoodat cuscuto betrekking blijkt te hebben op planten die de voorwerpen uit haar naaste omgeving samensnoeren, wat werkelijk het geval is en dan ook in het woord “Duivelsnaaigaren” ligt opgesloten. Een andere lezing is deze, dat cuscuta zou afstammen van skuton: zweep, en dat de verdubbeling der eerste lettergreep ten doel hebbende om de betekenis van het grondwoord nader te omschrijven of krachtiger te doen uitkomen, tot het denkbeeld voeren zou van “lange zweep met verwarden slag”. Ook deze verklaring is niet af te wijzen.’
Tot zo ver dr. C.A.J.A. Oudemans. Dr. F. Kanngieser meent dat de naam afkomstig is van het Arabische kuchûtâ, dat een kruid zonder wortel of blad betekent. In een Engels plantenboek: ‘Stamt waarschijnlijk niet af van het Griekse woord kassuo aan elkaar stikken, maar meer van het Arabische kustikut: zijde’. (De ronde glanzende, dunne stengels hebben iets van een draad zijde weg.) Tenslotte Hegi: ‘De naamafleiding is onzeker, voor het eerst komen we de naam Cuscuta tegen bij H. Bock (1539). Misschien van het Griekse kassyo: aan elkaar 104 binden, aan elkaar lappen, omdat de plant om andere heenslingert, of van het Arabische kuchuta van dezelfde betekenis.’ Het is moeilijk voor een niet deskundige om de verschillende soorten Warkruid uit elkaar te houden. In de meeste gevallen is de waardplant waarop het warkruid parasiteert een aanwijzing welke soort we bij de kop hebben. Hieronder volgt in grote trekken een overzicht van de in ons land voorkomende soorten: Hopwarkruid (C. lupulifórmis) op: wilg-, kers-, eik-, en braamsoorten. Klein warkruid (C. epithýmum) op: heide, ook op thijm, klaver, brem, bosbes en andere planten. Groot warkruid (C. europáéa) op: brandnetel, hop, walstro en andere planten.
Bij Dioscorides komt men de plant tegen onder de naam epithymon. De Latijnse soortnaam van het Klein warkruid, epithymum is gevormd uit epi: op, en thymus: thijm; dus een op thijm woekerende plant.
Vele volksnamen gelden vaak voor meerdere soorten van een geslacht en zo duidt men met Duivelsnaaigaren alle soorten van Cuscuta aan. Een plant die ogenschijnlijk bestaat uit draadvormige stengels moest wel iets te maken hebben met de duivel, temeer omdat zij nog ten koste van een andere plant leefde. Wat was eenvoudiger dan in de stengels het naaigaren van de duivel te zien? Reeds Dodonaeus noemde Warkruid: Duyvelsnaey-garen. De naam Wargaren staat genoteerd voor oostelijk Drente, Twente en Schouwen. De plant had ook volgens ons beter Thijmwarkruid kunnen heten.
In de Gart der Gesundheit van 1485 komen we de naam ‘Epithymum, die Fasern off den cleen’ (cleen: klaver) tegen. De naam Warkruid - op vele plaatsen in ons land - is goed gekozen, want de dunne draadvormige, roodachtige, kale stengels vormen een warwinkel als de plant zich op haar waardplant heeft vastgezet. Op het eind van de vorige eeuw was de naam Klaverwarkruid eveneens in omloop, want zij parasiteerde eveneens op klaver; zie boven bij de aanhaling uit de Gart der Gesundheit van 1485. Door het onttrekken van voedsel, vooral aan gewassen die voor de mens van belang zijn, kreeg de plant namen als Schurft(te), Schorft, Schorftetijm en Tijmschorfte. Hieruit blijkt wel voldoende dat men de plant allerminst waardeerde. De namen Ruie, Ruwe en Klaverrui in Zeeuws-Vlaanderen doen duidelijk de invloed van het nabije Belgische Vlaanderen onderkennen, want ruie is een Westvlaamsche naam voor schurft en ruidig betekent schürftig. Men gebruikte indertijd dan ook de plant om schurft of hoofdzeer te bestrijden, en wel naar een oude opvatting dat je schurft met schurft moest genezen of, zoals de Latijnse spreuk het in dezelfde geest uitdrukt: Similis similibus curantur.
De namen Ziede in de Achterhoek en Zijde in Twente, duiden eveneens op de draadvormige, als zijde glanzende stengels. In diezelfde streken spreekt men ook van Vrouwenhaar en zag men dus in de stengels de glanzende haren van de vrouw. De enige vermelding die we tot nu toe omtrent de plantlore van de Warkruiden hebben kunnen vinden is het volgende: God schiep de klaver voor de mens, maar de duivel schiep het warkruid om de klaver te vernietigen. In de Volksgeneeskunde hebben de planten ook hun rol gespeeld. Zo vinden we onder meer de Warkruiden gemeld als goed om de urine af te drijven en als purgeermiddel, en verder nog bij vallende ziekte, zwaarmoedigheid, hondsdolheid en koorts. Dodonaeus raadt het Klein warkruid aan bij gebreken van de milt en het Groot warkruid ‘om de ghebreken van de lever te ghenesen.’

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schurft, van een niet aangetoond werkw. schurven = openkrabben, opensnijden (Hgd. schürfen), van den Germ. wt. skrep = scherp zijn; ook: krabben, zie Schrapen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schurft* huidziekte 1351 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal