Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sieraad - (versiering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sieraad zn. ‘versiering’
Onl. in de samenstelling halsziretha ‘halssierraden’ [ca. 1100; Will.]; vnnl. chierragien ‘sieraad, versiering’ in van costeliker chierragien die sy aen haer lijf draghende was ‘van kostbare sieraden die zij op haar lichaam droeg’ [1516; MNW-R], cyraet ‘iets wat de schoonheid van een persoon weergeeft, pracht’ in Het cyraet ... Van eerbaren vrouwen ... leyt ... int eerbaar leuen ‘de schoonheid van eerbare vrouwen is gelegen in een deugdzaam leven’ [1528; WNT vreedzaam], cieraet in eenen armrinck, oft een gulden cieraet dwelck die wijfs aenden arm hebben ‘een armband of een gouden sieraad dat de vrouwen om hun arm dragen’ [1546; WNT Supp. armring].
Ontleend aan Hoogduits Zierat ‘sieraad’, ontwikkeld uit Vroegnieuwhoogduits zierōt [15e eeuw; Kluge], reeds Middelhoogduits cyrōd [12e-14e eeuw; Lexer], een afleiding van Middelhoogduits ziere ‘mooi, prachtig’, zie → sieren, met hetzelfde achtervoegsel als in → kleinood. De uitgang -at in het Duits is een verzwakte vorm van -ōt, zoals ook in bijv. Heimat. Dat de -o- in Kleinot, oorspr. ‘sierlijk en kostbaar geschenk’ behouden is, wordt toegeschreven aan invloed van de middeleeuws-Latijnse, aan het Duits ontleende vorm clenodium.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sieraad [versiering, edelsteen] {1557} < hoogduits Zierat < middelhoogduits zierōt, van ziere [pracht], met hetzelfde achtervoegsel als in kleinood.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sieraad znw. o. sedert Kiliaen < nhd. zierat m. < mhd. zierôt, dus van zieren gevormd met het zelfde suffix als in kleinood.

Sedert de 16de eeuw en tot in de 18de eeuw in gebruik cirage, sierage gevormd met het fra. suffix -age.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sieraad znw. o., sedert Kil. Uit nhd. zierat m. “sieraad” < mhd. zierôt m. “id.”, met ’t zelfde formans als kleinood. 16.-eeuwsch ndl. ciragie “sieraad” is met het uit ’t Fr. ontleende suffix -age gevormd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sieraad. Het als 16e-eeuws vermelde ciragie, sierage komt nog in de 18e eeuw voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sieraad o., uit Hgd. zierat, met hetz. suffix als heimat, armut, van Nhd. zier = pracht, versiersel, Mhd. ziere, Ohd. ziari: z. tier 1Sieren is eveneens uit Hgd. zieren, denomin. van zier.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sieraad (Duits Zierat)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Sieraad, hd. Zierat, een afl. van het b.nw., dat in het ohd. zêri, ziari, mhd. ziere (= mooi) luidde, met een achtervoegsel, dat wij in ons dageraad en kleinood ook hebben. Van ditzelfde b.nw. kwam het hd. zieren, ons sieren (zie o.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sieraad ‘versiering’ -> Negerhollands cieraad, zierad ‘versiering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sieraad versiering 1537 [Claes Tw. 12] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut