Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slavink - (gehakt in een lapje spek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slavink zn. (NN) ‘gehakt in een lapje spek’
Nnl. Een slavink bestaat uit met eieren aangemaakt gehakt, gerold in gerookt ontbijtspek en dichtgebonden. Heerlijk bij sla die combinatie van geurige rook en pittige braadsmaak [1952; Texelsche Courant], Slavinken werden in enkele jaren het populairste vleesgerecht voor een zomers maal [1956; Zierikzeesche Nieuwsbode], De slavink bestaat 10 jaar. De keurslager is de uitvinder van de slavink; alleen hij kent het echte originele recept. [1962; Texelsche Courant].
Neologisme, in april 1952 geïntroduceerd door de Larense slager Ton Spoelder in samenwerking met J. Boerwinkel, directeur van de Internationale Keurslagersorganisatie, voor het snel-klaarproduct dat hij toen op de markt bracht en dat naar zijn zeggen lekker smaakte bij de → sla en leek op een → vink. De slavink had een korte braadtijd en werd aangeprezen als zomers vleesproduct dat zeer goed paste bij sla en andere voorjaars- en zomergroenten: Er is volop Sla. Geniet nu eens van een lekker aangemaakt kropje Sla met heerlijke gebraden Slavinken [,] iets nieuws, waar U Uw tong bij inslikt [1952; Texelsche Courant]. De slavink werd in Nederland al gauw zeer populair. Het tweede lid is gevormd naar analogie van de oudere blinde vink ‘gehakt opgerold in een lapje (kalfs)vlees’.
Vink als benaming voor een stukje vlees, naar de kleine en gedrongen vorm van een vink, is al ouder: vnnl. plockte vinken, potpasty ‘soort stoofschotel’ [1567; Nomenclator 94b], vincken, plocke vincken ‘id.’ [1599; Kil.], nnl. vinken “vleesch aan kleine vierkante stukjes gesneeden” [1710; Halma NF]. Volgens een oud volksgeloof zongen vinken het best wanneer zij blind gemaakt werden: Als de Vink blind is, zoo zingt hy best [1636; iWNT vink]; nog tot in het begin van de 20e eeuw werd vinken daartoe bewust mishandeld: de blinde vink als benaming voor het vleesproduct [1899; Matthey 2002], in BN loze vink genoemd, kan dus een connotatie van kwaliteit zijn.
Volgens EDale en WNT Aanv. is het eerste lid sla de stam van het werkwoord slaan, omdat het zingen van vogels van oudsher ook wel slaan wordt genoemd: de quackel slaet int coren [ca. 1540; iWNT slaan]. Inderdaad komt slagvink voor als gewestelijke volksnaam voor de vink, maar slavink niet.
Lit.: T. Spoelder (1981), Van sudderlap tot slavink. 100 jaar Spoelder dynastie, Laren; I. Matthey (2002), Vincken moeten vincken locken: vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels, 397

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slavink* [vlees met spek erom] {na 1950} vgl. slagvink [vink, die goed zingt of slaat]; slavink en blinde vink zijn zo genoemd op grond van vormgelijkenis met een gebraden zangvogeltje. NB om het wedstrijdresultaat te verbeteren werden vogels wel geblind. Zie ook blinde vink onder vink.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slavink* vlees met spek erom 1961 [Aanv WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut