Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slechts - (alleen (maar))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slechts bw. ‘alleen (maar)’
Mnl. slechts ‘eenvoudig, simpelweg, zonder meer’ in doerd veghuier slechs ende doer dien roec sonder quetsincghe toet hemelrike ‘linea recta door het vagevuur en door de rook ongedeerd naar het hemelrijk’ [1276-1300; VMNW], ‘alleen’ in die dat hooft curioseliken toemaken ende verchieren slechs om idelheit of om te behagen ‘die hun hoofd met zorg opmaken en opsmukken, alleen uit ijdelheid of om te behagen’ [1437; MNW-P], Dit leste vers is slechts gheset, Om dattet rimen sel te bet ‘dit laatste vers is slechts geschreven opdat het des te beter zal rijmen’ [1440-50; MNW-R]; nnl. ook in combinatie met hoeveelheden, in Er was slechts één man in het rijtuig [1836; iWNT].
Afleiding met bijwoordelijke -s (zie → -s 2) van het bn.slecht in de verouderde betekenis ‘eenvoudig, gewoon, zonder meer’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slechts bijw., mnl. slecht(e)s, slicht(e)s ‘rechtstreeks, onmiddellijk, gewoonweg, zonder meer, ronduit, geheel en al, slechts’ is een adverbiale 2de nv. van slecht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slechts bijw., mnl. slecht(e)s, slicht(e)s “rechtstreeks, onmiddellijk, gewoonweg, zonder meer, ronduit, geheel en al, slechts”. Een ook mhd., mnd. woord: adverbiaal gebruikte gen. van slecht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slechts bijw., Mnl. id., met adv. s, van slecht = eenvoudig.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

slechts. - Dit bijwoord heeft in onze taal alleen betrekking op hoeveelheden. Wanneer het een begrip van tijd geldt, gebruikt men eerst, met betrekking tot het verleden; pas met betrekking tot de toekomst. Men zegge dus: eerst gisteren keerde ik terug, en wij eten pas om half zes. Het eene als het andere luidt in het Fransch seulement; vandaar het verkeerd gebruik van slechts. || Het groote steenen gebouw, ... slechts ... eene eeuw na 1306 gemetseld, DE PAUW, Besouch XLIII. Slechts twee maanden later was hij (Karel V) vijftien jaar oud, FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 8. De boekdrukkunst, die slechts gedurende de 16de eeuw in onze gewesten eene aanzienlijke uitbreiding verkreeg, 176. Conscience’s werk verscheen slechts in 1849, L. WILLEMS in Nederl. Mus. 37, 133. Het was slechts den 5 October 1836, dat van Duyse ... benoemd werd als leeraar, 37, 137.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slechts ‘louter, enkel’ -> Papiaments † slechts ‘louter, enkel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal