Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuisterij - (klein voorwerp van weinig waarde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snuisterij zn. ‘klein voorwerp van weinig waarde’
Vnnl. snuystery, snuysteringhe ‘versnapering; handelsartikel van weinig waarde’ in Sommige dingen van Suyker, Honich, Rozynen, Pruymen, Meel ende diergelijcke snusterye [1596; iWNT], Cofferkens, Dooskens, Staffen ende andere duysent diergelijcke snusterijen [1596; iWNT], naast snoesteringhe, snuysteringhe ‘versnapering’ [1599; Kil.], Spiegheltiens, Coralen, ende andere sneusterijen [1646; iWNT], pinangh (vrucht van de arekapalm), tabacq ofte andere snuysteryen 1658; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Het woord lijkt afgeleid van snuisteren ‘snoepen; snuffelen’, dat echter zeldzaam was: de betekenis ‘snoepen’ is alleen geattesteerd bij Kiliaan (in de vorm snoesteren, snuysteren [1588]) en ‘snuffelen’ wordt door het WNT alleen gewestelijk gesignaleerd vanaf het eind van de 19e eeuw. Dit snuisteren zou een van de formaties zijn uit de onder → snuiven aangevoerde groep woorden met sn- voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling.
Nnd. snüstern ‘snuffelen, zoeken’; vergelijkbaar zijn verder nog nzw. snusa ‘snuiven’, (dial.) ‘snuffelen’, nde. snuse ‘snuffelen’.
De betekenis ‘versnapering, snoeperij’ is verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snuisterij [sieraad van weinig waarde] {1596} van snoesteren, snuysteren [snoepen] {1588} van snoezen [snuffelen], van snoes (vgl. snuit1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuisterij znw. v., sedert de 17de eeuw, maar Kiliaen kent wel snuysteringhe, snoesteringhe ‘lekkernij’, die behoren bij snoesteren, snuysteren ‘snoepen’, nnd. snusseln, vgl. oostfri. snüstern ‘snuffelen’, nde. snuse ‘snuffelen’, nzw. snusa ‘tabak snuiven’. Een woord van de groep van snavel; vgl. ook snoeshaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuisterij znw., nog niet bij Kil., die wel snuysteringhe, snoesteringhe “lekkernij, ooft e.dgl. kleine waar” opgeeft: van snoesteren, snuysteren “snoepen” (en “van de schors ontdoen”), waarover zie bij snoeshaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snuisterij. Reeds in de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snuisterij v. (kleinigheid), van snuisteren.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snuisterij, van een dialectisch snuisteren, versterkte afl. van snuiten, in de bet. van snoepen, z. d. w. Het woord w.d.z.: naar kleinigheden snuffelen om ze te stelen. Vandaar snuisterij = kleinigheid.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snuisterij sieraad van weinig waarde 1596 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal