Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spaans - (indien "spaanse bok", martelwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Spaans
Het Nederlands kent een aantal uitdrukkingen met Spaans die een negatieve lading hebben, zoals er Spaans aan toegaan, het Spaans hebben of krijgen, en Spaans benauwd zijn. Op internet is te lezen dat deze teruggaan op de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en het schrikbewind dat de Spanjaarden toen voerden. Maar klopt dat wel?
Om te beginnen de bekendste uitdrukking: Spaans benauwd zijn of het Spaans benauwd hebben, wat zoveel betekent als ‘in je rats zitten, het moeilijk hebben’. Het oudste voorbeeld van Spaans benauwd dat we tegenkwamen, staat in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 1915, in een verhaal over gemobiliseerde soldaten:

- ’t Is noppes vandaag, (…) Droog weer buiten … geen asie kans op regen – de nachtdienst gaat vast door.
- Reken maar van yes, – krijgt hij ten antwoord, ’t is alleen hondenweer op verlofdagen, weet je dat nog niet, gemobiliseerde hufter, – ben je daarvoor nou al zoo lang getrouwd?
- Krijg het Spaansch benauwd, antwoordde deze bits – om zijn talent van rijmende antwoorden ‘De Dichter’ genaamd.

Andere negatieve uitdrukkingen met Spaans komen wel iets eerder voor, maar niet voor de achttiende eeuw. Het Spaans krijgen is te vinden in een essay van Justus van Effen in het door hem opgerichte weekblad Hollandsche Spectator: “Ik (…) kreeg het zo spaansch door de heerschzucht van dat inpertinente vrouwmensch.” Ook gebruikt Van Effen geen Spaansch woord voor ‘geen stom woord’.
Het schrijversduo Betje Wolff een Aagje Deken gebruikt in 1793 Spaans als synoniem voor ‘hard, wreed’: “Gij begrijpt nu wel, dat indien Keetje nu immers haar’ zin niet kreeg of geen’ man die haar altoos haar’ zin liet doen, dat zou haar Spaansch voorkomen.”
We mogen aannemen dat deze drie uitdrukkingen in de achttiende-eeuwse spreektaal gebruikelijk waren, maar niet eerder.

Spaanse furie
De uitdrukkingen waarin Spaans negatief wordt gebruikt, lijken al met al van jongere datum te zijn. Dat betekent niet dat de Spanjaarden in de zestiende en zeventiende eeuw altijd positief werden afgeschilderd. In pamfletten en geuzenliederen werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog ongezouten kritiek geleverd op de “Spaensche tyrannye”, “het Spaensche juk”, en “de Spaense furie”. In 1596 verscheen in Amsterdam Den Spiegel der Spaensche Tyrannye gheschiet in West-Indien, waarvan in 1625 een tweede deel werd uitgebracht: Spieghel der Spaensche Tyrannye. Gheschiedt in Nederlandt. Titels als deze versterkten het negatieve beeld dat er destijds van Spanje bestond.
In 1914 publiceerde de Spaanse historicus Julián Juderías de geruchtmakende studie La Leyenda Negra y la Verdad Histórica (‘De zwarte legende en de historische waarheid’), waarin hij wees op een traditie van antihispanistische geschiedschrijving onder invloed van zestiende-eeuwse politieke propaganda. Sindsdien is (anti-Spaanse) zwarte legende een begrip geworden voor hardnekkige ongunstige beeldvorming. Uitdrukkingen als Spaans benauwd lijken hiervan Nederlandse exponenten te zijn.
Dat het woord Spaans in de zeventiende eeuw nog niet zo negatief beladen was, blijkt uit een lang gedicht dat Constantijn Huygens in 1658 schreef als introductie op een verzameling uit het Spaans vertaalde spreekwoorden. Hierin zingt hij de lof van Spaanse wijn, hutspot, vijgen, laken, en nog zo’n dertig andere zaken van Spaanse komaf: “’k Houw veel van Spaensche Zeep in ’t Wasschen van mijn’ kleeren; / (…) Ick hebb de Spaensche Broeck gepresen voor de Mans; / My docht sy beter voeghd’ als ’t flodd’ren op sijn Frans …”

Spaanse pokken
Na de terugkomst van Columbus brak er in Spanje een epidemie uit van een geslachtsziekte. Internationaal kreeg deze ziekte de naam Spaanse pokken; zo gebruikten de Engelsen in 1600 de term Spanish pox. De huidige benaming syfilis gaat terug op de titel van een Latijns gedicht van de Italiaanse dichter Fracastoro uit 1530, over de herdersjongen Syphilus, die de god Apollo beledigt en daarvoor wordt gestraft met een vreselijke kwaal. Fracastaro duidde deze overigens aan met morbus gallicus: de ‘Franse ziekte’, omdat er in 1495 een ziekte-uitbraak was onder Franse soldaten in Napels. Huygens merkt ironisch op: “Spaensche pocken zijn de fijnste die men vindt.”
Sommige uitdrukkingen met Spaans bevatten een woordgrap. Zo is zo vet als een Spaans anker hetzelfde als ‘heel mager’ en verwijst een Spaans ameublement naar sinaasappelkistjes om op te zitten. Het leukst vinden wij de uitdrukking Frans spreken als een koe Spaans voor ‘heel slecht Frans spreken’. Deze uitdrukking is een vertaling van het Franse parler français comme une vache espagnole. Daarbij is in het Frans een vertaalfoutje gemaakt. Het gaat niet om vache (‘koe’), maar om het Spaanse woord vasco (‘Bask’). De uitdrukking zou oorspronkelijk zijn geweest parler français comme un Basque l’espagnol.
[Beelen, Hans en Nicoline van der Sijs (2019), ‘Spaans benauwd’, in: Onze Taal 6, 25]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Spaans: Spaanse bok (de, -ken), (hist.) bestraffing van een slaaf, waarbij deze met van voren samengebonden handen werd neergelegd, met de knieën tussen de armen naar voren getrokken, en vervolgens beurtelings op beide zijden geslagen werd met een tamarindezweep*. Een Spaansche bok voor de man Negers* was spoedig opgeloopen (van Schaick 1866: 54). Op verzoek van de meester werd deze straf der ’Spaanse bok’ publiek toegediend op de hoeken van door hem aan te wijzen straten; zo sprak men van vierhoekse en zevenhoekse Spaanse bokken (de Kom 45). - Etym.: ’Bok’ kan te maken hebben met de houding van het slachtoffer. Oudste vindpl. regl. van 1738 (S&dS 452). S pansboko.
— : Spaanseda’me (de,-s), een grote, groene bidsprinkhaan (Stagmatoptera femoralis) en andere soorten bidsprinkhaan (orde Mantodea). - Etym.: De houding en de statige bewegingen van het dier doen denken aan een voorname dame, de bolle ogen lijken bovendien op een hoog opgebold kapsel. - Syn. Spaanse* juffer, Spaanse* vrouw.
— : Spaanse juffer (de, -s), (veroud.) syn. van Spaanse* dame: z.a. Onder de kevers behoort ook de lange groene Spaansche juffer, welker groote kop als met een fijn draadje aan het lange en smalle lichgaam verbonden is (Teenstra 1835 II: 467). - Etym.: Zie Spaanse* dame. Oudste vindpl. Stedman 1796: 242. - Syn. ook Spaanse* vrouw.
— : Spaans spek (het), (verouderend) kanteloep, niet veredelde meloen, de vrucht van Cucumis melo (Meloenfamilie*). Cucumis melo L. () Spaansch-spek is de naam voor in Suriname voorkomende vorm die wegens de dikke schil en het weinige vruchtvleesch zich veel minder tot consumptie leent (Enc.NWI 250). - Etym.: Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 62. Ook gebr. in Zuid-Afrika (WNT 1936). S panspeki.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal