Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strijden - (vechten; wedijveren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

strijden ww. ‘vechten; wedijveren’
Onl. strīdon in de samenstelling wither-strīdon ‘tegenwerken, bestrijden’ in thia uuitherstridunt ‘zij die weerspannig zijn, de afvalligen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. striden ‘vechten, oorlog voeren’ in nim din wapen laet uns ... striden ‘neem je wapens, laten we vechten’ [1220-40; VMNW], Die sonden daer si iegen streden ‘de zonden waar zij tegen streden’ [1265-70; VMNW]; vnnl. ‘in strijd zijn, in tegenspraak zijn’ in yet te zeggen, dat teeghens de waarheit streed [1645; WNT], ‘zich inspannen’ in Strijt om in te gaen [1688; WNT], ‘wedijveren, wedstrijd houden’ in die om prijs strijt ‘wie wedijvert om een prijs’ [1688; iWNT].
Mnd. striden; ohd. strītan (nhd. streiten); ofri. strīda (nfri. stride ‘strijden’; strijde ‘snel en krachtig lopen’ < nl.?); oe. strīdan (ne. stride ‘stappen’); ozw. strīða (nzw. strida); alle ‘strijden, zich beijveren e.d.’, mnd. en oe. ook ‘grote stappen nemen’, < pgm. *strīdan-. Vermoedelijk is ‘strijden’ de oorspronkelijke betekenis en is de betekenis ‘grote stappen nemen’ ontstaan onder (volksetymologische) invloed van *skrīdan-, zie → schrijden (Seebold 1970).
Buiten het Germaans zijn er geen zekere verwante woorden. Men leidt pgm. *strīd- < *streid- < pie. *streidh- wel af van de wortel *sterh1- ‘stijf, star zijn’ van → star, maar dat is zeer onzeker. Als men zou aannemen dat ‘grote stappen nemen’ de oorspr. betekenis is (waaruit dan ‘aanvallen’ > ‘strijden’), kan *strīdan- met s-mobile bij de wortel van → rijden horen.
strijd zn. ‘gevecht; wedstrijd; tegenspraak’. Onl. strīt ‘strijd’ in plaatsnamen, o.a. Strithem ‘Strijtem (bij Brussel)’, letterlijk ‘strijdplaats’ [1146; ONW]; mnl. strijt in darnieder licgen in dien stride ‘vallen in de strijd’ [1220-40; VMNW], aldus wan Dat romsce herre sonder strijt ‘zo won het Romeinse leger zonder strijd te leveren’ [1285; VMNW], ook ‘vijandschap, vete’ in Desen tuist ende desen strijt ‘deze twist en vete’ [1291-1300; VMNW], ook ‘wedstrijd’ in Die voghelkine ... hoordic zinghen daer te stride ‘de vogeltjes hoorde ik daar om het hardst zingen’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. om strijd ‘om het hardst’ [1643; iWNT]; nnl. in strijd met ‘in tegenspraak met’ [1838; iWNT]. Afleiding van het ww. strijden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strijden ww. (sterk), mnl. strîden, mnd. strīden, ohd. strītan (nhd. streiten), ofri. strīda ‘strijden’ en met de bet. ‘met grote stappen lopen’ mnd. strīden, oe. strīdan (ne. stride). Daarnaast het zw. ww. os. strīdian, ofri. strīda ‘strijden’ en on. strīða ‘plagen’. Verder het bnw. on. strīðr ‘hard, sterk, zwaar’. — Met een andere dentaal: on. strita ‘met moeite slepen, plagen’, nijsl. nnoorw. strita ‘zich inspannen’, nzw. streta ‘zich inspannen, de benen uit elkaar zetten’.

Men moet dus uitgaan van een idg. wt. *strei + dentaal, die zelf een afl. van de onder star behandelde wt. *ster is. Daarnaast met labiaal de wt. *streibh ‘waarvoor zie: streven. — Het blijkt uit de opgegeven bet. duidelijk, dat die van ‘gevecht’ secundair is en zich uit die van ‘zich inspannen’ ontwikkeld heeft. Uitgangspunt zal wel zijn ‘weerstreven, een tegendruk uitoefenen’, dus evenals bij streven. — Uit het germ. (langob. en frank.) zijn ontleend prov. estrit en ook ofra. estrif, dat men waarsch. niet uit streven moet afleiden (Meyer-Lübke Nr. 8316).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

strije (ziech) (ww. wdkd.) ruzie maken; Aajdnederlands stridon <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strijden ‘vechten’ -> Ambons-Maleis strèi, bakustrèi ‘kibbelen’; Kupang-Maleis bakustrèi ‘kibbelen’; Menadonees bakustrèi ‘kibbelen’; Ternataans-Maleis bastrèi ‘kibbelen’; Negerhollands stri ‘vechten’; Papiaments strei ‘redetwisten’; Sranantongo strei ‘vechten, worstelen, wedstrijd houden’; Surinaams-Javaans strèi ‘wedden, strijden (om iets), bestrijden’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut