Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stukadoor - (aanbrenger van pleisterwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stukadoor zn. ‘aanbrenger van pleisterwerk’
Nnl. dat geen Stukadoor of Kunstwerker zal vermogen, eenige geraapte vlakke Muuren te pleysteren, dat buyten het Blafonwerk is [1750; iWNT].
Ontleend aan Spaans estucador ‘aanbrenger van pleisterwerk’ [1786-93; Corominas], een afleiding van estucar ‘bepleisteren’ [1843; Corominas], bij het zn. estuco ‘stuc, pleisterkalk’ [1569; Corominas], dat is ontleend aan Italiaans stucco ‘id.’, dat via Langobardisch *stukki ‘stuk, brok’ teruggaat op het Germaans, zie → stuk 1.
Het woord stuc ‘pleisterkalk’ [1604; iWNT wit I] heeft het Nederlands al eerder aan het Frans ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stukadoor [plafondwerker] {1750} < italiaans stuccatore [stukadoor], van stucco [stuc] (vgl. stuc).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stukadoor znw. m., eerst nnl. < spa. estucador van het ww. estucar ‘stukadoren, met stuc behandelen’, een afl. van estuco, waarvoor zie: stuc.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stukadoor znw., nog niet bij Kil. Uit spa. estucador (van estucar “stukadoren, stukeeren”, dit van estuco; zie stuc. Vgl. it. stucco: stuccare: stuccatore > fr. stucateur).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stukadoor m., uit It. stuccatore, afgel. van stuccare, het denom. van stucco: z. stuc.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

stukadoor s.nw.
Werker wat veral plafonne pleister.
Uit Ndl. stukadoor (1750).
Ndl. stukadoor uit It. stuccatore of Sp. estucador, wat verband hou met 16de-eeuse Fr. stuc uit It. stucco 'gips, pleisterkalk', so genoem omdat die werker hoofsaaklik met dié twee materiale werk.
D. Stukkatur.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stukadoor: pleisteraar in gips (bv. aan plafonne); Ndl. (na Kil) stukadoor uit Sp. estucador (vgl. It. stuccatore, Fr. stucateur, Eng. stuccoer), hou verb. m. Fr. (16e eeu) stuc uit It. stucco, “gips, pleisterkalk”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stukadoor (Italiaans stuccatore of Spaans estucador)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stukadoor plafondwerker 1750 [WNT] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut