Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

telkens - (iedere keer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

telkens bw. ‘iedere keer’
Mnl. telken ‘iedere keer, bij iedere gelegenheid’ in Ende telken als dat vorseide lant versteruet ‘en iedere keer als dat genoemde land wordt overgeërfd’ [1267; VMNW]; vnnl. telckens ‘id.’ in op peyne van 't zelve byer telckens te verbeuren ‘met als straf dat bier elke keer te verbeuren’ [1573; iWNT verbeuren]; nnl. telkens ‘herhaaldelijk, steeds’ in Die telkens in den spiegel ziet [1778; iWNT].
Afleiding met bijwoordelijke -s (zie → -s 2) van het oudere synoniem telken, gevormd uit → te 1 en de datief van → elk en wrsch. ontstaan door verkorting van uitdrukkingen als telken tide(n) ‘iedere keer’ [1236; VMNW elc], telken male(n) ‘id.’ [1292; VMNW mael I].
De oorspr. betekenis is ‘iedere keer, bij iedere gelegenheid’, altijd met betrekking tot een herhaaldelijk terugkerende gebeurtenis, die uit de context kan worden opgemaakt. Bij uitbreiding, door de bijgedachte aan veelvuldigheid, is telkens in het Nieuwnederlands ook algemener ‘veelvuldig, vaak’ gaan betekenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

telkens* [iedere keer] {1613} van middelnederlands telken {1236} samentrekking van (te) elken male, met het bijwoorden vormende achtervoegsel s.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

telkens bijw. met bijw. s gevormd van mnl. telken < te elken eig. te elken māle.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

telkens bijw. Met adverbiale -s uit mnl. te elken, telken = te elken mâle “telkens”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

telkens bijw., met adverbiale s uit te elken (male).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

telkens bw.
Herhaaldelik, meermale.
Uit Ndl. telkens (1613), 'n afleiding met byw. -s van Mnl. telken, 'n sametrekking van te elken male 'by elke geleentheid'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

telkens: – (minder gew.) telkers – , elke keer, weer en weer; Ndl. telkens, met byw. -s uit telken (Mnl. telken, ou vorm telkent) uit te elken, “by elke geleentheid”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Telkens, staat voor te elken (male) met bijw. s.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

telkens* bijwoord van tijd: iedere keer 1613 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal