Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teren - (in zijn levensonderhoud voorzien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teren ww. ‘in zijn levensonderhoud voorzien’
Onl. alleen de afleiding farteren ‘vernietigen’ in Thu fart[h]eridos alla thia scethi[n]t aua thi ‘u vernietigde allen die zich van u afkeerden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. teren ‘vernietigen, verteren, verbruiken’ in there in ghoeder maeten tijn ‘verbruik uw bezit (het dijn) met mate’ [1290; VMNW], teren up hem zelven ‘op eigen kosten leven’ [1300-50; MNW], teerende onghemaken ‘uitputtende kwalen’ [15e eeuw; MNW] (nog in de afleiding tering ‘tuberculose’); nnl. Op eene goede tijding teert men langer [1810; iWNT].
Os. terian ‘verbruiken, opmaken’; ohd. zerren ‘scheuren, vernietigen’ (nhd. zerren); ofri. ūr-tera ‘verwoesten’ (nfri. tarre ‘(ver)teren’); < pgm. *tarjan-.
Causatief bij het sterke werkwoord *teran- ‘scheuren, vernielen’, waaruit: ohd. zeran; oe. teran (ne. tear); got. -tairan.
Verwant met: Grieks dérein ‘villen’; Sanskrit drnā́ti ‘splijten’; Avestisch darədar- ‘id.’; Litouws dìrti ‘villen, afranselen’; Oudkerkslavisch dĭrati ‘scheuren, villen’ (Russisch drat' ‘scheuren’, Tsjechisch drát ‘id.’), Kerkslavisch drěti ‘scheuren’ (Tsjechisch dřít ‘schuren, wrijven’); Armeens teṙem ‘villen’; Tochaars A/B tsär ‘scheiden’; < pie. *der-, *dor-, *dr- ‘scheuren, barsten’ (LIV 119).
De oorspr. Germaanse betekenis ‘vernietigen, verscheuren’ is nog herkenbaar in de afleidingen verteren ‘(doen) ontbinden van voedsel’ en tering ‘tuberculose’ < ‘slopende ziekte, ziekte die de patiënt doet wegkwijnen’. Het simplex teren was in het Middelnederlands nog zowel overgankelijk ‘verteren, gebruiken, verbruiken’ als onovergankelijk, met een afgezwakte betekenis ‘eten en drinken’. Deze laatste betekenis is later verder afgezwakt tot ‘in zijn levensonderhoud voorzien’, ook overdrachtelijk in de voorzetselverbinding teren op ‘steunen op, zijn kracht te danken hebben aan’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teren* [doen verdwijnen] {1287 in de betekenis ‘vernielen, achteruit doen gaan, verteren, gebruiken’} oudsaksisch terian, oudhoogduits zerren, oudfries urtera, naast het sterke oudengels teran (engels to tear), gotisch gatairan; buiten het germ. grieks derein [villen, een pak slaag geven], litouws dirti [villen], oudkerkslavisch dĭrati [scheuren], oudindisch dṛṇāti [hij splijt] → verteren, teter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teren 1 ww. ‘verteren’, mnl. tēren ‘rukken, verteren, teren’, onfrank. terrōn (in ferterron ‘perdere’), os. terian ‘opmaken, verbruiken’ (farterian ‘verdelgen, doen omkomen’), ohd. zerren ‘rukken, scheuren’ (nhd. zerren ‘rukken, scheuren’ en zehren ‘verteren’), ofri. ûrtera ‘verteren, verwoesten’. — Daarnaast staat een sterk ww.: ohd. (far)zeran ‘doen scheuren, vernielen’, oe. teran ‘verscheuren, vernielen, kwellen’ (ne. tear), got. ga-, distairan ‘verscheuren, vernielen’. — Idg. wt. *der ‘villen, splijten’, vgl. oi. dar- ‘doen barsten, splijten’, gr. dérō ‘villen’, kymr. darn ‘stuk, deel’, lit. diriù, dìrti ‘villen’, osl. derą, dĭrati ‘scheuren, villen’, toch. AB tsär ‘scheiden’ (IEW 206-211). — Zie verder: tarten, tarwe, tergen, toorn, tornen, trendel, troggelen en trots.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teren I (verteren, leven van), mnl. tēren “rukken, verteren, teren”. = onfr. terron (in fer-terron “perdere”, ohd. zerren “scheuren, vernielen” (trans.; nhd. zerren “rukken, scheuren”; zehren “verteren”), os. terian “opmaken, verbruiken” (far-terian “verdelgen, doen omkomen”), ofri. tera (in ûr-tera “verteren, verwoesten”). Bij het sterke ohd. zëran (vooral far-zëran) “doen scheuren, vernielen, een einde maken aan”, ags. tëran “verscheuren, vernielen, kwellen” (eng. to tear), got. ga-, dis-taíran “verscheuren, vernielen”. Verwant zijn kymr. darn znw. “stuk”, gr. dérō) “ik vil”, obg. derą, dĭrati “scheuren”, lit. dirù, dírti “villen”, alb. djer̄ “ik vernietig”, arm. teṙem “ik vil”, oi. dṛṇā́ti “hij splijt, doet barsten”. Zie nog tergen, tornen, turf.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

teren I (verteren). Het lit. ww. is derù (diriù), dyriaũ, dir̃ti ‘villen, verscheuren’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teren o.w., Mnl. id., Onfra. terron, Os. terian + Ohd. zerren (Mhd. zern, Nhd, zerren = scheuren, zehren = verteren); factit. bij Ohd. zeran, Ags.teran (Eng. to tear = scheuren), Go. ga-tairan + Skr. wrt. dar = bersten, Arm. terem = villen. Gr. dérein = stroopen, Osl. dĭrati = scheuren, Lit. dirti = stroopen: Idg. wrt. der. Uit het Germ. komt Fr. tirer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2teer ww.
1. Afhanklik wees van ander vir lewensbehoeftes. 2. Uit voorraad gebruik. 3. (t.o.v. onstoflike sake) Uit voorraad gebruik.
Uit Ndl. teren (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1738 in bet. 3).
Vgl. tering.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teer II: leef van; verbruik; Ndl. teren (Mnl. teren, o.a. “ruk”), Hd. zerren en zehren, ondersk. “ruk” en “verteer”, Eng. tear, “skeur”, hou verb. m. Gr. derein, “afslag, vil”; v. ook terg(e), tering.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

teren. God zal je teren! is een verwensing die eenmaal werd aangetroffen. Het hulpwerkwoord zullen heeft vanouds de betekenis ‘moeten’. Dat plaatst ons niet voor verrassingen. Die verrassing zit in het werkwoord teren, dat ik niet opvat als ‘met teer bestrijken’, maar als ‘met de tering slaan, treffen’. Die letterlijke betekenis is afgezwakt en is geworden tot een emotionele die minachting, woede, ergernis en vergelijkbare emoties uitdrukt en weergegeven kan worden met ‘rot op’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Teren (verteren) van den Germ. wt. ter = stukscheuren, vernietigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

teren ‘in zijn levensonderhoud voorzien; verteren’ -> Deens tære ‘aantasten, aanvreten, verteren, leven van’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tære ‘aantasten, verteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tära ‘aantasten, aanvreten, verteren, leven van’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teren* in zijn levensonderhoud voorzien 1539 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2388. Hij teert op zijn vet (of smeer),

d.i. ‘hij bestaat van het zyne, en behoeft niets meer. 't Is ontleent van zulke dieren, die 's winters zonder voedzel in hunne holen liggen en slapen, wanneer de natuurlyke warmte het vet verteert, 't geen zy des zomers vergadert hadden’; Tuinman I, 104. Vgl. Goedthals, 60: op zyn smout leven, vivre de sa graisse; Harreb. I, 277: op zijn smeer leven, leven van hetgene men vroeger gewonnen of gespaard heeft; Sewel, 755: Wy moeten nu op ons smeer teeren, we must live now by what we got formerly; in het Antw. Idiot. 1364: van zijn eigen vet lèven gelijk den das; Wander I, 990; Frischbier, 839; Eckart, 113: hei lêwt von sîn îgen Fett, wî de Tachs öm Winter; hd. von seinem eigenen Fette zehren; fr. vivre de sa graisse.

304. Van den hoogen boom (af)teren,

d.i. op zorgelooze wijze zijn geld verteren, verkwisten; zijn kapitaal opeten. In eigenlijken zin moet deze zegswijze beteekenen uit een vat teren, waarin de boom, d.i. de bovenste laag, hoog staat, dus: teren van overvloed. Dat boom deze beteekenis had en derhalve de samengetrokken vorm zijn kan van bodem, bewijst o.a. de volgende plaats uit de Volmaakte Grond-beginzelen der Keukenkunde, t'Amsterdam 1758, bl. 63, waar sprake is van het inleggen van porselein: Men dekt het boven op met eene dunne boom zout, en een schoone doek en een steen op de bodem; bl. 66: Champignons kookt men ook een welletje op; en wel verleekt zynde, zo legt men ze in een verglaasde pot, en men bedekt ze met een boom van boter; bl. 64: Kroppen, de buitenste bladeren daar afgedaan zynde, zo kookt men ze een welletje op zonder zout, laat ze verleken, en drukt ze schoon uit; legt ze in een keulse pot, styf daar in geperst, met zout en peper tusschen beiden, eindelyk bedekt men ze met een bodem vet of boter, daar zout door gekneed is, enz. In dezen zin is in het Friesch boaijem, nog zeer gewoon; aldaar verstaat men onder in boaijem fet, een laag gestold vet op vleeschnat (evenzoo in N.-Brab.In Westvlaanderen is een boôm een ijzeren plaat, die als zoldering dient boven een oven, wat te vergelijken is met het fri. boazem, rookleiding boven den zolder, waar naast boazemermiette, overloopend volle maat; zie Fri. Wdb. I, 205; De Bo, 165 b en Tijdschrift XXI, 238.. Schepte men derhalve van den hoogen boom, dan teerde men uit een vat, waarin de bovenste laag hoog stond, dus: uit een vol vat. Vgl. Sart. III, 1, 87: Hy schepte van den hoogen boom; met de groote pollepel, d.i. hij schepte flink, royaal op; III, 3, 31: Nu gaet hy in grasduynen, hy teert van den hoogen boom af, de splendide ampliterque viventibus, quique in ubere rerum affluentia prolixius faciunt sumptum; Poirters, Mask. 145: Hy teerde in het eerst van den hooghen boom tot den leeghen (= lagen) boom, maer soo ras de beurs ydel was, was het vleyen uyt, en die geldeloos was, wierd vriendeloos. Zie ook V. Breughel, Boert. Clucht. II, 11 v: Van den hoogen boom aff teeren; Sewel, 343: Van den hoogen boom af teeren, to spend of one's stock without gaining any thing; en vgl. Antw. Idiot. 1223: Van den tas neerwaarts leven, alles verkwisten; Pers, 140 b: De gebuyrten quamen dickwijls by een en slempten van boven neer.

Aan deze zegswijze ontleende van den hoogen boom de beteekenis van in groote mate, buitenmateZie voor een dergelijk verschijnsel no 152., zooals blijkt uit Van Breugel II, 6 v: Drincken van den hoogen boom neer; De Brune, Bank. I, 483: Zy verketteren en verdoemen dan, van den hoogen boom af; Schuermans, 69, die ‘van den hoogen boom af’ de beteekenis geeft van buitenmate, uit alle krachten, verschrikkelijk. Zie verder het Ndl. Wdb. III, 38 en 409, waar de hier gegeven verklaring reeds in het ruwe is gegist; Tuinman I, 118; Ten Doornkaat Koolman I, 201 en het fri. fen de hege beam ôf tarre (ite), dat waarschijnlijk een hollandisme isBezwaren tegen deze verklaring worden geopperd in Leuv. Bijdr. XI, 142. De Limb. dialecten hebben in deze uitdr. boom (met regelmatige ontwikkeling uit Wg. ô) en niet boom uit bodem (met Wg. o in open lettergreep). Er kan evenwel volksetymologische invloed gewerkt hebben..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut