Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tijd - (periode; moment)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tijd zn. ‘periode; moment’
Onl. tīt ‘periode, moment’ in tit uuala te likene ‘periode van welbehagen’, ne faruuirp mi an tide eldi ‘verwerp mij niet in de periode van ouderdom’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], thes neis nogh niet zid ‘daarvoor is het nog niet het juiste moment’ [ca. 1100; Will.]; mnl. tijt ‘tijd; (juiste) moment; tijdsduur; periode; keer; jaargetijde’.
Os. tīd (mnd. tīt); ohd. zīt (nhd. Zeit); ofri. tīd (nfri. tiid); oe. tīd (ne. tide alleen nog ‘getij’); on. tíð (nzw. tid); alle ‘tijd, (juiste) moment e.d.’, < pgm. *tīdi-. Daarnaast staat een variant pgm. *tīman-, waaruit: oe. tīma (ne. time, zie → timing); on. tími (nzw. timme ‘uur’).
Pgm. *tīdi- en *tīma- gaan wrsch. terug op de abstracta pie. *dih2-ti- resp. *dih2-mo- bij de wortel *deh2(i)- ‘verdelen’ (LIV 103), waarbij: Grieks daíesthai ‘verdelen’; Sanskrit dáyati ‘verdeelt’. Hierbij hoort ook Armeens ti ‘tijd, ouderdom’ < pie. *dh2(i)io-. Zie ook → teen 2 ‘twijg’.
De twee belangrijkste betekenissen van dit woord, namelijk ‘periode, tijdsduur’ en ‘moment, tijdstip’, zijn al in het Oudnederlands geattesteerd. Vanaf het Vroegmiddelnederlands komt het woord zeer frequent en in vele betekenisnuances voor.
In de klassieke en traditionele grammatica is tijd de aanduiding voor een werkwoordsvorm die de verhouding uitdrukt tussen het moment van spreken/schrijven en de handeling die met het werkwoord wordt uitgedrukt, alsmede de tijdsverhouding tussen verschillende handelingen onderling. Door de taalontwikkeling in de loop der eeuwen wordt die tijd niet alleen door een werkwoord(svorm), maar mede door hulpwerkwoorden aangegeven. In dit laatste geval spreekt men van een omschrijvende of perifrastische werkwoordsvorm. De klassieke indeling van de werkwoordstijden is sedert Donatus (4e eeuw) ongeveer gelijk gebleven: de Latijnse termen (tempus) praesens, praeteritum, futurum, al dan niet voorzien van een handelingsaspect perfectum of imperfectum, werden in de moedertaalgrammatica's getrouw vertaald naar resp. tegenwoordige, verleden en toekomende tijd, met de aspecten voltooid en onvoltooid.
Oude attestaties van vertalingen zijn onder meer: vnnl. tyt [1568; Radermacher], den tegenwoordigen tijdt, den onvolcomenen gheleden tijdt, den toecomenden tijt [1571; Heyns], teghenwoordighe tyd, verleden tyd [1584; Twe-spraack], onvolkomen toekomende tijt [1625; Van Heule], toe-komstighe tijdt [1649; Kók].
Van tijd zijn diverse bijwoorden afgeleid, zie → altijd, → destijds, eertijds (zie → eer 2) en → tijdens. De collectieve betekenis van tijd ‘periode, tijdsduur’ wordt nog eens benadrukt met het voorvoegsel ge- in → getij(de) en → jaargetijde. Zie verder nog → hoogtij, → ontij, → tij en → ontiegelijk.
Lit.: Ruijsendaal 1989

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tijd* [opeenvolging van momenten, moment] {oudnederlands tit, tijt 901-1000} oudsaksisch, oudfries, oudengels tīd, oudhoogduits zīt, oudnoors tíð; vgl. met een ander achtervoegsel engels time; buiten het germ. grieks daiesthai [verdelen], oudindisch dāti [hij verdeelt]; de grondbetekenis is dus: indeling.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tijd znw. m., mnl. tijt v. m., onfrank. tīt v., os. tīd v., ohd. zīt v. o. (nhd. zeit v.), ofri. oe. tīd v. (ne. tide), on. tīð v. < germ. *tīði, tīða, waarnaast *tīma- in alem. zīmǝ, oe. tīma (ne. time), on. tīmi, dus afl. van een wortel *tī < idg. *dei, vgl. gr. daíomai ‘verdelen’, daitrón ‘aandeel’, oi. dā́ti, dyáti ‘scheidt, verdeelt’, diti- ‘het verdelen’ (IEW 175).

Deze etymologie is nog al abstrakt. Indien het begrip ‘het afgedeelde’ is, dan vraagt men toch waarvan? Want zulk een bet. past eerder voor bepaalde onderafdelingen van de tijd. Mag men hier denken, wanneer men uitgaat van ‘het toebedeelde’, dat de indeling van de tijd voor bepaalde werkzaamheden zaak van de dinggemeenschap is en dan kan men de vraag stellen, of wij niet van de idg. wt. *dei moeten uitgaan, die onder teen 2 behandeld is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tijd znw., mnl. tijt (d) v. m. = onfr. tît (d) v., ohd. zît v. o. (nhd. zeit v.; ohd. ook zîd o.), os., ofri., ags. tîd v. (eng. tide), on. tîð v. “tijd”, germ. *tîði-, *tîða, *tîþa-. Germ. -ði-, idg. -ti- en germ. -ða- -þa-, idg. -to- zijn formantisch blijkens alem. tsîmmän, ags. tîma (eng. time), on. tîmi m. “id.”, germ. *tî-man-. Niet wsch. is de combinatie met de groep van telen (idg. di-l-), ook onzeker die met got. sin-teins “dagelijksch, steeds durend” enz., waarover zie bij teken. Eer evenals arm. ti (*dîti- of *dîto-, *dîtâ-, *dît-) “tijd, leeftijd” met de oorspr. bet. “het afgedeelde”, vandaar “een zekere tijdruimte” bij gr. daíomai “ik verdeel”, oi. dáyate “hij deelt, deelt toe, verwoest”, dā́ti, dyáti “hij snijdt af, deelt”, waarmee nog wel lat. dîves “rijk” en umbr. pur-ditom “porrectum” gecombineerd worden. Als idg. basis wordt dā̆i- aangenomen, naast dâ- (zie tas I). ’t Is echter zeer wel mogelijk, dat we van (i)- moeten uitgaan en ohd. zîdal-(*tî-þla-) “bijenstok”, zîdalâri m. “imker” (nhd. zeidler), lett. dêjejs “celui qui creuse, qui perce la ruche” combineeren; deze wortel beteekende dan “splijten”, overdr. “deelen”. Afll. hiervan en van dâ- “spreiden” kunnen dooreen geloopen zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tijd. Lat. dives ‘rijk’ en umbr. purditom ‘porrectum’ behoren niet in dit verband.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tijd m, Mnl. tijt, Onfra. tît, Os. tîd + Ohd. zît (Mhd. id., Nhd. zeit), Ags. tíd (Eng. tide), Ofri. tíd, On. id. (Zw., De. id.); hiernevens met ander suffix (z. lid 1.) On. tími (Zw. timme, De. time), Ags. tíma (Eng. time): Germ. wrt. = beperken + Skr. aditis = oneindig: Idg. wrt. dei̯ (z. telen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tied (zn.) tijd; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) tied, Aajdnederlands tit <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

deurentyd bw.
Gedurig, die hele tyd.
Sametrekking van die Ndl. uitdr. door den tijd 'mettertyd'.

tyd s.nw.
1. Verloop van gebeurtenisse as 'n eenheid beskou. 2. Gedeelte van tyd, of tydstip. 3. Gereeld terugkerende periodes of seisoene. 4. Bepaalde tydperk. 5. Spesifieke tydperk geskik vir 'n sekere doel. 6. Tydmeting. 7. (taalkunde) Vorm van 'n werkwoord.
Uit Ndl. tijd (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1542 in bet. 3, 1548 in bet. 4, 1642 in bet. 5, 1644 in bet. 6, 1649 in bet. 7).
Eng. time.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tijd: mijn tijd: uitroep van verbazing, ontzetting (’nee maar!’ e.d.). Wat is dat? Mijn gunst*! Kijk daar! Mijn tijd! (Helman 1954a: 13). - Etym.: In AN veroud.
— : zie droge*, natte*, Surinaamse* tijd.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tyd: verlede, hede en toekoms; Ndl. tijd (Mnl. tijt), Hd. zeit, Eng. tide, v. dies. herk. maar anders v. vorm Eng. time; herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Er is een tijd van (een bepaalde bezigheid) en (de tegenovergestelde bezigheid), voor alles is er een goed, gepast, tijdstip.
Er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan, gezegd als iemand wil vertrekken.

Deze nog vaak gebruikte constructie gaat terug op het begin van het derde hoofdstuk van het bijbelboek Prediker, een gedicht van zeven maal vier regels met steeds tegengestelde zaken: 'Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd; er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken, een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen, een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen, een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen bijeen te zamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden, een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, een tijd om te scheuren en een tijd om dicht te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken, een tijd om te beminnen en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede' (Prediker 3:1-8, NBG-vertaling). Vooral een deel van het zevende vers komt vaak voor in de vorm er is een tijd van spreken en er is een tijd van zwijgen, wat zoveel betekent als 'je moet dingen op het juiste moment zeggen en anders voor je houden'. De meeste bijbelvertalingen hebben een tijd om te in plaats van een tijd van, zoals de Statenvertaling (1637): 'Een tijt om te scheuren, ende een tijt om toe te naeyen: een tijt om te swijgen, ende een tijt om te spreken.' De NBV kiest voor 'een tijd om te'.

Canisiusvertaling (1929-1939), Prediker 3:7. Een tijd van scheuren, en een tijd van naaien; Een tijd van zwijgen, en een tijd van spreken.
'Hou daarover op onder het eten,' zei mijn vader. 'Jullie hebben nog steeds niet geleerd dat er een tijd van spreken is en een tijd van zwijgen.' (J. Wolkers, Alle verhalen, 1981, p. 252)
De filosoof: 'Er is een tijd van werken, een tijd van recreëren en een tijd van feesten.' (NRC, 11-4-1998, p. 18)
'Gaan jullie nu alweer weg?' 'Ja, er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan'. (Gehoord, jaren '90)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tijd (de -- doden) (vert. van Engels to kill time); (de goede oude --) (vert. van Frans le bon vieux temps); (het is de hoogste --) (vert. van Duits es ist die höchste Zeit)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tijd. In de Economische liedjes [1781] van Elisabeth Bekker komt o mijn tijd voor. Volgens het WNT hebben wij hier, maar ook bij lieve tijd, met een bastaardvloek te doen. Tijd is hier in de plaats gekomen van hemel. In de exclamatie wel mijn tijd! is tijd een substituut van God. Ook nu nog hoort men hemelse tijd! Qua betekenis komt deze vloek overeen met hemelse goedheid!heer, heremijntijd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tijd (Os. tid, Germ. ti-di; de d is achtervoegsel; vgl. ons tij), van den Idg. wt. di = zich uitstrekken. Tijd is dus: wat zich uitstrekt van ’t verleden tot in de toekomst. Vgl. nog als tijdsbegrip ’t Lat. dies = dag; Skr. dina = dag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tijd ‘opeenvolging van momenten, moment’ -> Chinees-Maleis tèt ‘op tijd’; Javindo tet ‘opeenvolging van momenten, moment’; Negerhollands tied, tit, tid ‘opeenvolging van momenten, moment’; Berbice-Nederlands titi ‘opeenvolging van momenten, moment’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Goede tijden, slechte tijden [soapserie] (1990). Op 1 oktober 1990 wordt de eerste aflevering van de Nederlandse soap Goede tijden, slechte tijden uitgezonden. De titel is gevleugeld geworden. De soap (ook bekend onder de afkorting GTST) is de eerste dagelijkse Nederlandse soapserie – en zelfs de eerste dagelijkse serie in Europa. In Duitsland wordt de serie overgenomen als Gute Zeiten, schlechte Zeiten.
De tandeloze tijd [romancyclus] (1983). Schrijver A.F.Th. van der Heijden (1951) publiceert in 1983 het eerste deel van zijn romancyclus De tandeloze tijd, waarvan de titel spreekwoordelijk is geworden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tijd* opeenvolging van momenten, moment 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

647. Tijd is geld.

Eene vertaling van het eng. time is money (18de eeuw), waarmede bedoeld wordt, dat wie met den tijd, dien hij heeft, zijn voordeel weet te doen, geld kan verdienen. Reeds Theophrastus (± 300 v. Ch.) zeide πολυτελες αναλωμα ειναι τον Χρονον, dat tijd eene kostbare uitgave is; zie Büchmann, 351.

1230. De komkommertijd,

d.w.z. de slappe tijd, waarin weinig zaken gedaan worden, dus in de maand Augustus, als de komkommers rijp zijn en de handel over het algemeen niet zeer levendig is (zie o.a. Nest 24); Villiers, 65; hd. die sauregurkenzeit; eng. the cucumber-time (anno 1700F. Kluge, Wortforschung und Wortgeschichte, 115; Franck-v. Wijk, 334.); the big-gooseberry time.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut