Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-tje - (verkleiningsachtervoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-tje achterv. ter vorming van verkleinwoorden
Onl. -kīn in muderkin ‘moedertje’ [995-1029; ONW]; mnl. -(e)kijn, -(e)kin, -(e)ken in hornekin [1210; VMNW], .viiii. stickelkine in lande ‘acht stukjes land’ [1227-32; VMNW stuckelkin], beddeken [1240; Bern.], dat herdekijn ‘het herdertje’ [beide 1265-70; VMNW], -tgin, -tgen in keteltgin ‘keteltje’ [1343-46; MNW], Lubbetgen ‘Lubbetje (eigennaam)’ [1343-46; MNW colswijn]; vnnl. -(e)tje, -je enz. in sackje, tonnetje [1527; iWNT seroen I].
De geschiedenis van de verkleiningsachtervoegsels in het Nederlands en de Nederlandse dialecten is complex. De basisvorm voor het hele Nederlandse en het grootste deel van het Duitse taalgebied is Proto-Germaans -kīn-, vanwaar klankwettig (eventueel met tussenklinker) onl. -kīn en mnl. -(e)kijn (nhd. -chen, ndd. -(i)ken). De oorspronkelijk lange klinker van het achtervoegsel was al in het Middelnederlands verzwakt, getuige de frequente spellingsvormen -(e)kin en -(e)ken. De tussenklinker verscheen gewoonlijk achter grondwoorden met korte lettergreep (bijv. pat - padekin ‘paadje’) of maakte zelf al deel uit van het grondwoord (bijv. bedde - beddekin ‘bedje’). De moderne dialectvorm -(e)ke(n) is hiervan de rechtstreekse voortzetting. De ontwikkeling van het standaardtalige -tje, (met zijn assimilatievarianten -etje, -je, -pje en -kje) verliep als volgt. In aansluiting op een t-klank werd -k- in verschillende delen van het Nederlandse taalgebied gepalataliseerd en vereenvoudigd, dus -tk- > /tkj/ > -tj. Deze klank, d.w.z. het achtervoegsel -tjen, en door verdere afslijting met name in het Hollands -tje, werd uiteindelijk door analogiewerking ook in alle andere verkleinwoorden overgenomen. In de overgangsperiode, die ongeveer de 14e tot en met 17e eeuw bestrijkt, was de vorm, de spelling en het gebruik van de verkleiningsachtervoegsels zeer divers en van vele factoren afhankelijk.
Lit.: Van der Sijs 2004: 458-463

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-je* [achtervoegsel tot vorming van verkleinwoorden] {in bv. aepje 1629} heeft zich ontwikkeld uit -tje.

-ken* [achtervoegsel tot vorming van verkleinwoorden] {in bv. schepelken 1201-1250, middelnederlands -(e)kijn, -kin, -ken, -ke} hoogduits -chen, van het i.-e. -k-achtervoegsel + het germ. -in dat afstamming uitdrukte en verbonden met -k tot verkleiningsachtervoegsel werd.

-tje* [achtervoegsel tot vorming van verkleinwoorden] {in bv. vaentje 1624} het achtervoegsel heeft zich onder Hollandse invloed ontwikkeld uit middelnederlands -kijn (vgl. -ken).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-kijn deminitiefsuffix, ook verzwakt tot ken, ke, owvla. –kīn, os. –kīn, ohd. –hhīn (nhd. -chen), oe. -cen. In tegenstelling tot het opperduitse –ilīn (zie: lijn 4) behoort het suffix –ikīn tot het nederduitse gebied; het bestaat uit de versmelting van twee suffixen en wel nd. k en os., ohd. -īn (waarvoor zie: veulen en zwijn).

-tje deminutief-suffix (met fonetische varianten -je en -pje) is noordnl. tegenover zuidnl. -ke, die beide ontstaan zijn uit mnl. -kijn, -ken, os. -kīn, ohd. -hhīn (nhd. -chen), oe. -cen een samenstelling van de beide deminutiefsuffixen -k en -īna (vgl. mnl. -ijn, os. -ī̆n, ohd. -īn, oe. -en, got. -ein), dit laatste nog versteend in kieken, kluwen, veulen.

Voor de vorm -tje, die het resultaat van een palatalisatie zal zijn (vgl. schrijfwijzen als -tgin, -tghen, -(t)iaen) en die dan van Holland uit zich sterk verbreid heeft, zie Kloeke ZsfdMundarten 1923, 217 vlgg. en daaraan aansluitende literatuur, vermeld in Schönfeld, Hist. Gramm. 6de druk (1959) 186-7.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -tje (-je, -pje) (naar gelang van de eindklank van het grondwoord). Verkleinsuffix, vooral noordndl. tegenover zuidndl. (ook fri. gron.) -ke(n), en evenals dit ontwikkeld uit mnl. -kijn door een palatalisatieproces waarvan de tussenvormen worden aangeduid door schrijfwijzen als -tgin, -tghen, -(t)iaen. Tot de verbreiding van -tje heeft stellig holl. “expansie” meegewerkt, al heeft soortgelijke palatalisatie, deels alleen in de verbinding -tkijn, ook elders onafhankelijk van Holland plaats gehad. Overzicht van de literatuur over deze sedert Kloeke ZsfdeuMua. 1923, 217 vlg. veel besproken kwestie bij Schönfeld Hist. Gr.3 296 vlg. — Mnl. -kijn, -ken, nnl. (in Noord-Nederland literair) -kijn, -ke(n), owvla. -kin, oudgents -kin(us), ohd. -hhîn (hd. -chen), os. -kîn, ags. -cen is ontstaan uit samensmelting van de germ. deminutiefsuffixen -k- en -îna-, mnl. -ijn, ohd. -în, os. -ī̆n, ags. -en, got. -ein (zie b.v. kieken, kluwen, veulen). Een dergelijke, maar in het Ndl. zeldzamer, versmelting met -l- is mnl. -lijn (nnl. -lijn), ohd. os. -(i)lîn (hd. -lein). Dit germ. -îna- is één in oorsprong met het suffix -en, waarover zie bij † -en II Suppl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-tje ‘achtervoegsel tot vorming van verkleinwoorden’ -> Chinees-Maleis -ce ‘achtervoegsel tot vorming van verkleinwoorden (bij namen)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut