Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

top - (bovenstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

top zn. ‘hoogste punt’
Mnl. top ‘kruin’ als toenaam van jan top [1248-71; VMNW], ‘(boom)kruin, hoogste punt’ in broedet up bomen inden tsoppe (over de anlaut, zie onder) ‘broedt in boomtoppen’ [1287; VMNW], Tseil trocsi in den top al hoghe ‘het zeil trokken ze heel hoog in top’ [1350; MNW], dicke haer an den top ende achter dunne. bediet sotheit ‘veel haar op de kruin en weinig aan de achterkant betekent onverstand’ [1351; MNW-P], Opten top van den berghe [ca. 1425; MNW].
Vooral in Brabant en Limburg kwamen in het Middelnederlands de nevenvormen tsop en sop voor. Deze vertonen wrsch. Middelfrankische of Hoogduitse invloed.
Mnd. top ‘boomtop, hoogste punt, uiteinde’; ohd. zopf ‘pluk haar, haarlok’ (nhd. Zopf ‘haarvlecht’); ofri. top ‘haarlok’ (nfri. toppe ‘pluk, bosje’ top ‘hoogste punt’); oe. topp ‘hoogste punt’ (ne. top); on. toppr ‘uiteinde, opgebonden haar’ (nzw. topp ‘hoogste punt, boomtop’; tupp ‘haan (vanwege zijn kam)’); < pgm. *toppa-.
Het is onzeker wat de oorspr. betekenis is: het algemene ‘hoogste punt’ of het specifieke ‘boomtop’ en/of ‘haarkruin’. De afwezigheid van de algemene betekenis in de oudste Hoogduitse teksten lijkt erop te wijzen dat de ontwikkeling hier van specifiek naar algemeen is gegaan.
Er zijn geen zekere verwante woorden buiten het Germaans. Er bestaat enige overeenkomst in vorm en betekenis met de eveneens slechts Germaanse woorden → tap en tip (zie → tepel), maar i.t.t. deze woorden refereert top in de oudste Germaanse taalfasen meestal aan een verticale dimensie. Of de Germaanse wortels *tap- (naast minder verbreid *tamp-), *top- (naast *tump-, nhd. Zumpf ‘penis’) en het jongere *tip- (naast minder verbreid *timp-, Nederlands timp ‘punt, uiteinde; puntbroodje’) onderling verwant zijn of elkaar alleen in een later stadium hebben beïnvloed, is zeer onzeker. Mogelijk zijn het alle slechts klankexpressieve vormingen voor iets puntigs.
Via Oudfrans top ‘haarlok’ en het verkleinwoord toupet is het woord weer teruggeleend in de vorm → toupet ‘(kunstmatig) haarstukje’.
In de tweede helft van de 20e eeuw is top aan het Engels ontleend in de betekenis ‘bovenstuk van kleding, bovenlijfje’. Eerst als topless in Antwoord op de topless: doorschijnende japon [1964; Leeuwarder Courant], een partij voor topless toestanden (Jan Cremer in een interview met Bibeb) [1964; Leeuwarder Courant], vervolgens als top in top in rok ... met vijf verschillende tops: vesten, cardigan, spencer, pull [1969; Nieuwe Leidsche Courant] en daarna als topje ‘bloesje met korte mouwen’ in Bermuda kindertuniek. Katoen imprimé topje [1970; Nieuwe Leidsche Courant].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

top1* [bovenstuk] {1287 in de betekenis ‘kruin, top’} middelnederduits, oudhoogduits zopf [opgebonden haar] (hoogduits Zopf [haarvlecht]), oudengels, oudfries topp, oudnoors toppr; etymologie onduidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

top 1 znw. m., mnl. top m. ‘top, kruin, hoofdhaarʼ, mnd. top ‘top, kruin, haarvlechtʼ, ohd. nhd. zopf ‘haarvlecht, haarbos, staart, uiteindeʼ, ofri. top ‘haarbos, harenʼ, oe. topp ‘topʼ (ne. top), on. toppr ‘punt, omhooggevlochten haarʼ. De geminaat -pp- heeft een expressief karakter (Bloomfield Festschr. Sievers 1925, 95).

Reeds het feit, dat dit woord in associatie staat met tap en tip, waarmee het echter niet abl. kan worden verbonden, wijst op het aanwezig zijn van een zekere klanksymboliek, zonder dat wij met H. Hilmer, Schallnachahmung 1914, 193 van een zuiver geluidswoord zouden moeten uitgaan. — De voorgestelde etymologieën voldoen niet: 1. idg. *dub naast *dumb, vgl. ohd. zumpfo ‘penisʼ en av. duma ‘staartʼ (H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 70). — 2 bij russ. dybat, dybitʼsʼa ‘op de tenen gaan staanʼ, lett. duba ‘schoofʼ (FW 703). — Misschien mogen wij aanknopen aan de onder tuien behandelde idg. wt. *deu die op het bosbedrijf betrekking heeft. Overigens kan men overwegen of de groep tap, tip, top niet overgenomen is uit een vóórgerm. substraattaal. — Uit het germ. zijn ontleend ofra. top, nfra. toupet ‘haarbosʼ en toupie ‘tolʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

top I znw., mnl. top (pp) m. “top, kruin, hoofdhaar”. = ohd., mhd. zopf m. “haarvlecht, haarbos, staart, uiteinde” (nhd. zopf), mnd. top (pp) m. “id., kruin, top”, ofri. top m. “haarbos, haren”, ags. topp m. “top” (eng. top), on. toppr m. “bos haren”. De combinatie met russ. dybíť-sˊa “op de teenen, op de achterpooten gaan staan”, stojáť dýbom “overeind staan” enz. is een mogelijk, maar onzeker vermoeden. Met de woordfamilies van dop, tap en tip bestaan associatieve betrekkingen, daardoor is de oorsprong van germ. *tuppa- te moeilijker vast te stellen. Mnl. top (nog dial.), ags. topp (eng. top) m. “tol” is ’t zelfde woord: oorspr. = “spits voorwerp”. Afl.: Kil. toppen (“Holl.”) “bij de haren pakken”, hd. zupfen (sedert 1462), oud-nhd. ook zopfen “plukken, rukken”, noorw. dial. tuppa “id.” (ook anders opgevat). Uit ’t Germ. ofr. top, fr. toupe, toupet “haarbos”, toupie “tol” e.a. Zie nog tobben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

top I znw. Een blijkbaar uit hd. taalgebied ontleende bijvorm is mnl. (t)sop m. ‘uiteinde, top’, nog in Zuid-Nederland zeer verbreid (vgl. Grauls Hand. Kon. Comm. v. Top. & Dial. 8 (1934), 141).
Het is mogelijk, dat met tap een niet slechts associatief, maar historisch verband bestaat: men zou dan de u van germ. *tuppa- met Güntert Abl. 83 moeten beschouwen als voortzetting van het idg. “schwa secundum” (vgl. stok Suppl.). — Combinatie met lett. duba, dube ‘schoof, rij schoven’ (Petersson Idg. Heterokl. 70 vlg.) is niet onmogelijk, doch zeer vaag.
De bet. ‘tol’ heeft ook de. top.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sop 1 m. (top), Mnl. tsop, uit Hgd. zopf: z. top 1.

top 2 m. (tol), + Ohd., Mhd., Nhd. topf, Ags., Eng. top: niet verder na te gaan; is hetz. als top 1, wegens den vorm. Uit het Germ. komt Fr. toupie.

top 1 m. (uiteinde), Mnl. id. + Ohd. zopf (Mhd. en Nhd. id.), Ags. top (Eng. id.), Ofri id., On. toppr (Zw. topp, De. top): niet verder na te gaan; toch wel verwant met tip en tap. Uit het Germ. komt Fr. toupet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1top s.nw.
Hoogste punt.
Uit Ndl. top (al Mnl.).
Deens topp, Eng. top, Noors topp, tupp, Sweeds topp.
Vgl. 1tip.

3top s.nw.
Tol (2tol 1).
Uit gewestelike Ndl. top (al Mnl.). Die verbreidheid van top, en die voorkeur bo tol (2tol 1), is wsk. tans aan die invloed van Eng. toe te skryf. Top kom in S.Ndl. dialekte soos W.- en O.Vlaams, Antwerps, Seeus en die S.Hollandse eilande voor. Die WNT verklaar top as 'voorwerp met of in die gedaante van een top, d.i. een min of meer spits uiteinde'.

4top tw.
Afgespreek, in die haak.
Uit Ndl. top (1709).
Ndl. top uit Fr. (je)tope (1642) 'ek aanvaar jou inset'.
Eng. top.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

top (de, -pen), (i.h.b.:) bovenste deel van suikerriethalm, gebruikt als bibit* voor ongeslachtelijke voortplanting. Men plant het riet* voort, door het bovenste schot (het topeinde) af te kappen, en het in verband in regte voren te leggen, welke men dwars over de bedden* langs eene lijn heeft laten delven. Het te verplanten schot of stuk riet, dat men van het topeinde afgehakt heeft, is gemeenlijk van 1 tot 1½ en 2½ voeten lang, welk stuk riet men top noemt (Teenstra 1835 I: 199; oudste vindpl.). - Etym.: In AN kan t. o.m. het bovenste gedeelte van een gewas i.h.a. betekenen (zie WNT 1960).
— : top of the count (de), aanduiding bij bingo voor het getal 75, d.i. het hoogste. - Etym.: E, lett. ’hoogste (waarde) van de telling’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

top I: bopunt, kruin; Ndl. top (Mnl. top), Hd. zopf, “haarbos, stert, uiteinde”, topf, “top” (v. mas), topf, “pet”, v. ook tol II; vgl. dVri NEW s.v. top 1, v. ook Eng. top.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

top ‘hoogste leiding’ (Engels top)
top- (Engels top)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

top ‘bovenstuk’ -> Duits Topp ‘top van een mast of stang’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests topp ‘bovenstuk’; Frans dialect sope ‘uiterste punt van een top of kruin; gelijkmaking van een laag houtskool’; Frans toupet ‘haarlok; onbeschaamdheid’ Frankisch; Pools top ‘bovenstuk, bovenste eind van een mast’; Russisch top ‘bovenste eind van een mast’; Oekraïens top ‘bovenste eind van een mast’ ; Litouws topas ‘bovenstuk van de mast’ ; Indonesisch topi ‘hoofddeksel; (Bahasa Prokem) punt van het mannelijk geslachtsdeel’; Indonesisch top ‘topje, onderdeel van dameskleding’; Javaans dialect top ‘bovenstuk’; Menadonees top ‘bovenstuk, toppunt’; Soendanees topi ‘hoofddeksel van Europeanen en Chinezen; pet, hoed, sjako’; Negerhollands top ‘bovenste gedeelte van het suikerriet, waaruit stekken gesneden worden’; Papiaments tòpi ‘bovenstuk van een plant’; Sranantongo topi ‘laatste kootje van een vinger’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Waar de blanke top der duinen [liedregel] (1898). Literator Pieter Louwerse (1840-1908) schrijft voor de inhuldiging van Wilhelmina het lied ‘Mijn Nederland’, waaruit de uitdrukking de blanke top der duinen spreekwoordelijk is geworden. De eerste en de laatste twee regels luiden: “Waar de blanke top der duinen / Schittert in de zonnegloed / [...] Juich ik aan het vlakke strand / ’k Heb u lief mijn Nederland.” Het lied wordt in 1900 gepubliceerd in het Liederboek van Groot-Nederland van F.R. Coers, op muziek van Richard Hol.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

top* bovenstuk 1130 [Rey]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

top, verkorting van topconferentie.

In het weekeinde voorafgaand aan de ‘top’ in Rio sprak hij hem anderhalf uur op het ministerie in Den Haag. (Elsevier, 06/09/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1715. Op 'n top,

d.w.z. geheel en al, als bijw. van graad bij het wkw. gelijken en bij het bnw. gelijk: iemand of iets op 'n top gelijk zijn. Deze uitdrukking is ontstaan uit op ende op, op end' op, dat we lezen in Hooft's Ged. II, 39: Mijn man schiep een wolk my op end' op gelijk. In Vlaanderen wordt de oorspr. vorm op ende op naast op en top gebruikt, ook in Noord-Nederland komt hij nog voor; vgl. Prikk. I, 35: Een geëmancipeerde vrouw! op en d'op een suffragette. In Groningen kent men opendop (Molema, 308 b); nd. op und doppKorrespbl. XXXIV, 82.. Op dezelfde wijze is op-ende-uit, mnl. op ende uut, verbasterd tot op een duit. Zie het Ndl. Wdb. XI, 318-320; no. 516 en Loquela, 225: ip end ip.

2634. Het zeil in top halen (of voeren),

d.w.z. het zeil zoo hoog mogelijk ophalen; bij overdracht op grooten voet leven; een hoogen staat voeren, bram boven bram voeren. Vgl. Winschooten, 248: Het seil in top haalen of setten, dat bij swaaren storm gevaarlijk isDoet men dit, dan bestaat er gevaar, dat het schip omslaat; vgl. De Brune, Bank. I, 114: Die 't zoo hoogh in den top zetten, moeten van de gyb wachten. en daarom werd het oneigendlijk genoomen voor sijn staat soo hoog setten, als immers doendelijk is; bl. 164: Veiligst is het in voorspoed te denken om teegenspoed: en het seiltje niet al te hoog haalen; Witsen, 311: t Zeil in top halen, een grooten staet voeren, zo hoog of hooger als de middelen konnen lijden; Sart. II, 6, 21: Haelt u seyl niet te hoogh, kent staet ende hout maet; ne majora viribus suscipias, aut ne magnificentius te geras, quam pro tua conditione; zie verder Starter, Steek-boekjen, 58:

 Eer dat gy bent uyt den dop
 Zo trekje 't Zeil al in den top:
 Jou hert is groots.

Vgl. nog Haerl. Somerbloempjes, 134: Die het zeyl te hoogh ophalen en in hovaerdy en pracht brallen boven hare macht; Huygens, Oogentroost, vs. 150: Soo vierense staegh schoot, en voeren 't in den top tot dat's een slingerbuy zien vallen in haer laken, die 't schip op zyde werpt; Hofwijck, vs. 783; Tuinman I, 259: 't zeil is te hoog in top gehyst; Van Effen, Spect. VI, 31; Halma, 647; Sewel, 792: Het zeil in top zetten, to carry it high, to live very prodigal; Harreb. II, 340; Van Eijk I, 162. Ook kende men in de 17de eeuw: het zeil te wijd zetten (zich voornamer voordoen dan men is) en een hoog zeil voeren, bluffen, snoeven (De Brune, Bank. I, 208). In het fri. it seil to heech hize, een te grooten staat voeren; hja lûke 't seil heger as de mêst, zij voeren een staat boven hun stand.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut