Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tor znw., volgens Kil. “Fris. Hol.”, later-mnl. torre v. Ook fri. en jutl. Wellicht onomatop.: vgl. mnd. turren “gonzend vliegen”. De afl. uit Kil. tort-wevel (nog dial.: vel. törǝwēvǝr “meikever”) = ags. tord-wifel, ozw. tordöfvil, on. tordŷfill m. “scarabaeus stercorarius” is onzeker. Dit bestaat uit Kil. tort, torde (“vetus. Fland.”), ags. tord o. (eng. turd) “drek” (: lett. dirst “cacare”?) en een tweede lid mnl. wēvel m. enz., germ. *weƀila- “kever”, bij weven hoorend; vgl. lit. vãbalas “kever”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tor. Kil. tort, torde, mnl. tort, torde m. (o.?), ags. tord ‘drek’ met lett. dìrst ‘cacare’ en mhd. zurch, ziirch m. ‘drek’ bij teren I?

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

tor2 [kever]. Terecht vergelijkt Veth hiermee een paar Deense en Zweedse woorden. Hij had eraan kunnen toevoegen het IJslandse tordyfill en het Engelse tordwifel. Dit laatste stelt de oorsprong van de benaming in het helderste licht: het is, gelijk men weet, samengesteld uit tord ‘drek, stront, mest’, Engels turd, en wifel, Oudhoogduits wibil ‘kever’. Het woord betekent dus eigenlijk drek- of mestkever, en bestond eertijds ook bij ons in de vorm van tortwevel; zie Kiliaan, die tevens als synoniem opgeeft schitwevel. Het Deense en Zweedse skarnbasse komt op hetzelfde neer. Met de Noorse Thor (Oudnoors Thórr) heeft het woord niets gemeen; vooreerst omdat tord en thórr nooit verward kunnen worden, en ten tweede omdat thórr in de Nederlandse uitspraak donder luidt.

De vorm torre, tor is volgens Kiliaan gewestelijk Hollands en Fries, en dat zal wel juist zijn, want rd gaat in het gewone Nederlands niet in rr over; de echte algemeen-Nederlandse vorm was tordwevel, thans verouderd. Of torre, tor een afleiding is van tord, dan wel een verkorting, dient nog nader onderzocht te worden. Een soortgelijk woord is mol, waarvoor de Duitsers Maulwurf zeggen; ook dit laatste is een verbasterde vorm, waaromtrent de etymologische woordenboeken het nodige leren. [K]

tor1 [kever]. Dit bekende synoniem van kever (Hoogduits Käfer, Engels, ofschoon slechts plaatselijk, chafer) schijnt in het Nederlands alleen te staan; men wil het afleiden van tieren, wegens het snorrend of gonzend geluid dat sommige torren maken. Dit is echter slechts eigen aan enige weinige onder de vele duizenden soorten van deze insecten. Men zou dus moeten aannemen dat het woord oorspronkelijk tot een of meer van de meest geraasmakende soorten beperkt was en bij uitbreiding een algemene naam van de schildvleugelige insecten geworden is. In ieder geval is kever, wanneer daarin zoals men meent het begrip van knagen ligt, een veel gepaster naam voor de gehele groep. Merkwaardig is het dat van tor noch in het Duits, noch in het Engels, ook zelfs in de dialecten enig spoor schijnt voor te komen.

Die sporen ontbreken echter niet in het Zweeds en Deens en wijzen in die talen op een geheel andere oorsprong van tor dan hierboven werd aangegeven. In het Zweeds heet een kever torbagge, tordyfvel en skalbagge. In het laatste schijnt skal ‘de schaal, het vleugelschild’ het eigenaardig kenmerk van de kevers of schildvleugelige insecten te betekenen. Bagge houd ik voor hetzelfde woord als het Engelse bug, dat thans weliswaar bijzonder de wantsen of halfvleugelige insecten aanduidt, maar vroeger wel niet zo’n scherp begrensde betekenis zal gehad hebben, daar vele hemiptera, met hun halve dekschilden, niet in ’t oog lopend van de torren verschillen.72 Men moet zich altijd bedenken dat dergelijke namen eeuwenlang gebruikt zijn, voordat er entomologen opstonden die de klassen, geslachten en soorten nauwkeurig onderscheidden. Van dit bagge en bug schijnt mij ook het Nederlandse bok en torbok niet wezenlijk te verschillen. Ik ken dit torbok slechts uit de woordenboeken van Weiland en Van Dale en zag nooit een voorbeeld van het gebruik, maar het is mij onmogelijk met Weiland aan te nemen, dat het hetzelfde is als boktor. Boktorren zijn de Cerambycidae of Longicornia, die zich door lange gebogen horens, als die van een bok, onderscheiden. Hoe onmogelijk het volgens ons taaleigen is dat torbok, tenzij door later misverstand, hetzelfde zou betekenen, daarvan kan men zich zonder geleerde beschouwingen gemakkelijk door een proef overtuigen. Geen Nederlander zal zich laten diets maken, dat een snuitkever ook een keversnuit of een loopkever ook een keverloop kan genoemd worden. In het Deens heet een tor torbist, skarnbasse of, met een vage benaming zoals ons worm, ook somtijds bille. In skarnbasse betekent de eerste lettergreep ‘mest’ en bewijst dus dat die naam eigenlijk aan de mestkevers (Geotrupes) behoort. Bist en basse zullen wel met bagge, bug en bok verwant zijn.

Wij vinden nu in verschillende van deze namen als eerste lettergreep tor, en vele van mijn lezers zullen wellicht vreemd opkijken wanneer ik het waag uit te spreken, dat daarin de naam schuilt van de door de Scandinaviërs meest vereerde godheid, de dondergod Thor. Gelijk aan de meeste andere godheden waren ook aan Thor verschillende diersoorten toegewijd, en daaronder ook de mestkever, misschien oorspronkelijk wegens het nut dat hij sticht door het verteren van onreine stoffen. Ook bij de oude Egyptenaren bestond, zoals ieder weet, een heilige mestkever die zeer groot aanzien genoot: de Scarabaeus (Ateuchus Sacer). Men leerde in Gothland dat wie zo’n heilige mestkever op de grond zag liggen en weer op de poten zette, daarmee zeven zonden uitdelgde, en zag hierin een herinnering van Thors voorspraak bij Alvader.73 Men noemde dus oorspronkelijk de mestkever, en later ook andere grote kevers of zelfs de kevers in het algemeen, bagge, bug, bok, bist (of welke andere vormen men ook bezigde), dat is ‘kever’ van Thor, en toen men later, bij de invoering van het christendom, diepe afkeer voor al zulk heidens bijgeloof begon te koesteren, de thordjefvul, dat is de duivel van Thor, waaruit in het tegenwoordige Zweeds als algemene naam van de kevers tordyfvel is ontstaan. Bij ons zei men, naar het schijnt, oorspronkelijk torbok, dat later tot enkel tor is afgekort.

Ik ben het meeste wat ik hier heb meegedeeld verschuldigd aan Cowans Curious facts in the history of Insects (Philadelphia, 1865), p. 28. Doch daar ik het werkje slechts uit de tweede hand ken en in mijn aantekeningen mijn eigen bijvoegsels en gevolgtrekkingen niet van die van de schrijver heb onderscheiden, kan ik niet meer met juistheid opgeven wat ik hem verplicht ben. De toepassing op het Nederlandse tor en torbok is in elk geval van mij, en zo zij een dwaling blijkt te zijn, komt die voor mijn rekening.

Sporen van bijgeloof met betrekking tot de torren ontbreken ook in Duitsland niet. Scheffel, zeker een van de uitstekendste kenners van de Germaanse oudheid, weet ons in zijn Ekkehard (p. 242) veel van de eerbied van het Duitse volk voor de Hornschröter, ons vliegend hert, te verhalen. Een van de namen van deze mooie kever, de grootste van Europa, is de Donnerkäfer (ook Donnergugi), en het blijkt dat hij werd beschouwd als het middel waarvan de tovenaars zich bedienden om donder te verwekken. Scheffel haalt daarbij de volgende woorden aan uit Grimms Mythologie (3e Ausgabe, p. 657; vergelijk p. 176): ‘Dem Schröter, den es mit Donner und Feuer in Bezug setzt, mag das Deutsche Volk besondere Ehre angethan haben.’ De hier vermelde bijzonderheden voeren ons terug tot de dondergod Thor.74

Het vliegend hert is te zeer van de mestkever onderscheiden om aan te nemen dat zij vereenzelvigd werden; maar het eerstgenoemde kon met hetzelfde recht als de laatste ‘Thors kever’ genoemd worden en dus meewerken om, toen men de zin voor de oude mythologie verloor, aan alle kevers zonder onderscheid de naam van thorbagge, torbok of bij afkorting tor te doen geven.

De vraag doet zich mij voor of het woord tor, als waarschijnlijk niet werkelijk van vreemde afkomst, hier wel een plaats had verdiend. Daar evenwel, door het verloren gaan van tussenschakels, de ware verklaring van het woord in het Nederlands niet meer te vinden was, kon het slechts door de hulp van vreemde talen worden opgehelderd. Ook blijft de vraag of wij het niet inderdaad aan de invallen van de Noormannen in ons land verschuldigd zijn. [V]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tor, torrenbak: (Bargoens) vrouw van lichte zeden, hoer. Een tor wordt gezien als een schadelijk en in vuiligheid levend insect. Reeds bij Henke.

Als het nou nog een jonkie was geweest. Maar nee, zo’n ouwe torrebak, dat kon ik niet opbrengen. Die ouwe Franse befferd kreeg dus meteen een Hollandse vrijzetter. (Haring Arie, Tweede Boek, 1969)
De kinderen waren van ons samen, daar draaiden we samen voor op. Ik zei altijd: samen gevrejen samen gelejen! Want ze begonnen lief, maar af en toe zijn het reuze torrenbakken, hoor! (Jos Brink, Laat mij maar schuiven, 1988)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal