Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trouwens - bw. en (overigens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trouwens bw. en tw. ‘overigens’
Mnl. trouwen ‘inderdaad, op mijn erewoord, voorwaar’ in Sijn sueer antworde ende loech Trouwen des ben ic ghewis ‘Zijn zwager antwoordde lachend: inderdaad, daar ben ik zeker van’ [1276-1300; VMNW], Trouwen nv est al ghedaen ‘jazeker, het is nu allemaal voorbij’ [1328-50; Rijmkroniek]; vnnl. Neen ick, trouwens ‘nee, echt niet!’ [1541; iWNT], Trouwens, ghij seijt mij gisteren ... Dat ghij mij nu sout wadt lecker coocken ‘overigens zei je me gisteren, dat je nu wat lekkers voor me koken zou’ [1541; iWNT], dat seggen trouwen heur eygen buuren ‘dat zeggen overigens hun eigen buren’ [1612; iWNT].
Afgeleid met bijwoordelijke -s (zie → -s 2) van het bijwoord mnl. trouwen ‘inderdaad, op mijn woord’, dat oorspr. een verbogen naamval (datief enkelvoud) is van het zn.trouw in de betekenis ‘erewoord’. In het Middelnederlands werd trouwen veel gebruikt als tussenwerpsel ter versterking of bevestiging van een uitspraak. In de loop van de tijd werd het meer een bijwoord en tussenwerpsel ter inleiding van een bepaalde uitspraak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trouwens* [overigens] {1541} gevormd met bijwoorden vormende s van middelnederlands trouwen [voorwaar, voorzeker] {1300} uit ouder entrouwen [waarachtig, inderdaad, eig.: in trouw], vgl. middelnederduits entruwen, middelhoogduits entriuwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trouwens bijw., reeds Kiliaen trouwens ‘bona fide’, met bijw. s gevormd van mnl. trouwen voor ouder entrouwen (= ‘in trouwe’), evenals mnd. entrūwen, mhd. entriuwen en mnd. trūwen, mhd. triuwen (md. trūwen, trūn > nhd. traun).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trouwens bijw. Kil. trouwens “bona fide”. Met bijwoordelijke s uit mnl. trouwen, naast ouder entrouwen (uit voorz. in of aan + een casus van trouw I) “inderdaad” = mhd. (en-)triuwen (md. trûwen, trûn, nhd. traun), mnd. (en)trûwen “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trouwens bijv., met adv. s uit Mnl. entrouwen, datief van trouw 2 met verdoffing van in.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trouwens ‘overigens’ -> Fries trouwens ‘overigens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trouwens* bijwoord van modaliteit: overigens 1541 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal