Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vers - (fris)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vers 2 bn. ‘nieuw, fris’
Onl. *frisk ‘nieuw, jong’, misschien al in verbasterde glosse friocho ‘jong kalf’ [8e eeuw; LS], in elk geval in de afleiding friskink ‘jong dier’ in Latijnse context frisgingas (mv.) [850; ONW] en met metathese uerschingis (mv.) [1159, kopie 1191-1200; ONW], dan nog het toponiem Verscvliet, letterlijk ‘Nieuwvliet’ [1197-1212; Künzel]; mnl. vers ‘nieuw, in optimale toestand’ in met sinen uerschen wonden ‘met zijn verse wonden’ [1265-70; VMNW], versch brod ‘pasgebakken brood’ [1285; VMNW], van uerschen lauwerbladen ‘van net geplukte laurierbladeren’ [1287; VMNW].
Ontstaan uit Proto-Germaans *friska- door r-metathese en de Nederlandse klankontwikkeling -sk(-) > -s(-) als in → as 2.
Mnd. ve(e)rs(ch), varsch, vrisch; ohd. frisc (mhd. vrisch, nhd. frisch, in het Nederlands ontleend als → fris); ofri. fersk (nfri. farsk); oe. fersc (ne. fresh o.i.v. van Frans frais); on. ferskr (leenwoord uit het mnd.; nzw. färsk, naast een jonger frisk uit mnd. vrisch); alle ‘jong, nieuw, vers e.d.’, mhd./nhd. ook ‘koel’; < pgm. *friska-.
Bij de afleiding onl. friskink ‘jong dier’, mnl. verschinc ‘jong varken’: os. ferscang (mnd. verschinc, vrischinc); ohd. frisking (nhd. Frischling, gewest. nog frisching).
Ontleend aan het Germaans zijn: Oudfrans freis, fresche ‘vers’ [1080; Rey], ‘koel, fris’ [ca. 1200; Rey] (Nieuwfrans frais ‘vers; koel’), Italiaans, Spaans en Portugees fresco ‘id.’, zie ook → fresco.
Wrsch. niet verwant met Litouws prė́skas ‘vers, ongezuurd, smaakloos’ en Oudkerkslavisch prěsnŭ (< *prěsknŭ) ‘vers’ (Russisch présnyj), oprěsnŭkŭ ‘ongezuurd brood’, maar de mogelijke reconstructies zijn voor het Germaans pie. *prisko-, voor het Baltisch *prēsk- en voor het Slavisch *prēsk- of *proisk-, en die zijn niet goed met elkaar verenigbaar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vers2* [fris] {vers(ch), varsch 1201-1250} middelnederduits versch, varsch, oudfries fersk, oudengels fersc, vormen met metathesis van r naast oudhoogduits frisc (hoogduits frisch, waarvoor vgl. fris); buiten het germ. litouws prėskas [ongezuurd], oudkerkslavisch prěsnŭ [vers].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vers 2 bnw., mnl. verse, varsc, vorsc, mnd. versch, varsch (> on. ferskr), ofri. fersk, oe. fersc (ne. fresh), metathesisvormen naast ohd. frisc (nhd. frisch > nnl. fris), vgl. nog os. frissing, ferscang ‘jong dier’. — Uit het germ. ital. spa. port. fresco, nfra. frais. — Alleen te vergelijken osl. prė̆snŭ ‘vers, ongezuurd’, lit. prẽskas ‘ongezuurd’ van idg. *proisko-, prisko- ‘vers, niet gegist’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

versch bnw., dial. ook met a en o, mnl. versc, varsc, vorsc. Voor ’t vocalisme vgl. derde. = ohd. frisc (nhd. frisch), mnd. versch, varsch (os. reeds frissing, ferscang m. “jong dier”), ofri. fersk, ags. fersc (eng. fresh), on. ferskr (ontl. uit ’t Ndd. of Ags.) “frisch, versch”. Uit ’t Germ. fr. frais “id.”. Uit ’t Hd. ndl. frisch. Verwant met ksl. prěsĭnŭ “versch, ongezuurd” (*proisk̑ino-), lit. prĕ͂skas “ongezuurd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

versch bijv., Mnl. versc + Mndd. versch, Ohd. frisc (Mhd. vrisch, Nhd. frisch), Ags. fersc (Eng. fresh), On. ferskr (Zw. en De. frisk) + Osl. prěsǐnŭ = versch, Lit. prëskas = zoet (z. fris). Ndl., Ags. met de regelmatige metath.; Skand. uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veers (bn.) vers; Vreugmiddelnederlands uersch <1265-1270>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vees 2, bn.: vers. Door ass. rs > s uit vers.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vos 1 bn.: vers, fris, nieuwbakken. Door assimilatie rs > s uit Mnl. vorsch, variant van versch ‘vers’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vars b.nw.
1. Nie oud nie. 2. Nie souterig nie. 3. Nie lank gelede ontstaan nie. 4. Nog ongebruik.
Uit Ndl. vars, 'n wisselvorm van vers (ongeveer 1546 in bet. 1, 1552 in bet. 2, 1573 in bet. 3, 1635 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vers bn., (ook:) 1. pas geknipt (persoon). Hé, je bent vers! - 2. gedroogd (bonen, erwten e.d.). - Opm.: In bet. 2 gebr. ter onderscheiding van ’uit blik’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vars: nuut; pas gebak; nie sout genoeg nie; nog nie bederf of verlep nie; uitgerus (veral v. ry- of trekdier gesê), Ndl. vers(ch)/vars(ch), ook Mnl. versc/varsc/vorsc en dial. wv. m. a en o, Hd. frisch (wu. Ndl. fris(ch), ook in dial.), Eng. fresh (uit Germ. vorm Fr. frais, fraîche i. dies. bet.), by Bog I 139 varsch, by vRieb vers(ch), v. Kloe HGA 115; v. vers III.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Versch, metath. van frisch, waarvan de afl. niet duidelijk is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vers ‘fris’ -> Deens fersk ‘fris’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fersk ‘fris’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds färsk ‘fris’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins veres ‘fris; pasgeboren’ <via Zweeds>; Ests värske ‘fris’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans friche ‘onbebouwd; onbebouwde grond’; Negerhollands versch ‘fris’; Sranantongo fèrs ‘fris’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vers* fris 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal