Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlade - (platte koek; melkgerecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vla zn. (NN) ‘melkgerecht’
Vnnl. vlade, vlaey, vlay ‘dikvloeibaar nagerecht, bereid met melk en andere ingrediënten’ in om een sonderlynge vlade te maken, Om vlaijen te maken [beide 1500-25; Jansen/van Winter], om een Vlaey te maken [1668; Landt-leven] (in de betreffende receptenboeken steeds gevolgd door een recepte waaruit de betekenis duidelijk blijkt); nnl. Door het woord Vlaade verstaat men een zeer lekkere en vervrisschende spijs, die uit eijeren, vrugten enz. word vervaardigt [1777; iWNT], vla, vlade “zekere schotelspijs, van melk en eijeren” [1810; Weiland].
Hetzelfde woord als → vlaai, zie aldaar over het oorspronkelijke geografische verschil.
De oorspr. betekenis is ‘plat rond gebak, bedekt of gevuld met compote of een zuivelproduct’. In het westelijke Nederlands is het woord niet het gebak als geheel, maar alleen de (zuivel)vulling gaan aanduiden, die ook als zelfstandig nagerecht werd gegeten. Latere veranderingen, leidend tot de huidige, typisch Nederlandse toetjesvla-in-pakken, betreffen alleen de bereidingswijze en niet de woordbetekenis.

vlaai zn. ‘plat rond gebak’
Mnl. vlade ‘platte koek’, als ulade [1240; Bern.], in vladebacre ‘koekenbakker’ [1270; VMNW]; vnnl. vlaeye, vlay, vla in Enghelsche taertkijns, gesukerde vlaykens, ghescakierde taerten soo sy sijn som dunne ende vlack [1524; MNW vlak], vlaeye [ca. 1540; MNW], in taerten, in vlaen (mv.) [1555-60; MNW vlade], vla ‘platte koek’ [1562; Naembouck]; nnl. vlaa, vlaaye “zekere melk-taart” [1701; Marin].
Ontstaan uit mnl. vlade door wegval van de intervocalische -d-. Gewoonlijk ontstond in het zuidoostelijke taalgebied (Brabant, Limburg) op de plaats van de -d- een j-klank, terwijl in het westen de -d- volledig wegviel (Schönfeld, par. 35.2). De westelijke variant leeft met gewijzigde betekenis in de NN standaardtaal voort als → vla; daarnaast heeft de vlaai ‘plat rond gebak, bedekt of gevuld met compote of rijst met eieren, room enz.’ als typisch Limburgs en Brabants woord en product in de 20e eeuw ook buiten dat gebied grote bekendheid verworven.
Mnd. vlade; ohd. flado (nhd. Fladen); me. flathe; alle ‘platte koek’, wrsch. < pgm. *flaþōn- ‘plat voorwerp’. Een andere mogelijkheid is dat de Germaanse vormen teruggaan op pgm. *fladō-, dat op zijn beurt door assimilatie is ontstaan uit *flazdō- ‘breed, plat voorwerp’, zie → flard.
In het eerste geval verwant met Grieks platús ‘wijd, vlak’ (zie → plat 1); Sanskrit prthú- ‘wijd, breed’; Avestisch pərəthu- ‘id.’; Litouws platùs ‘id.’; < pie. *plth2- ‘wijd’ (IEW 833). Zie ook nog → flat.
koeienvlaai zn. ‘uitwerpsel van een koe’. Nnl. vla, vlade “overdragtelijk, een uitwerpsel van rundvee, een koestront” [1810; Weiland], met den voet in eene “koevlade” [1898; iWNT koe], hoefindruksels vol modder, koeienvla, rotsblokken [1925; Groene Amsterdammer], zijn wond ... Zo groot als een koeienvla [1973; Leeuwarder Courant], tegenwoordig meestal -vlaai, in weilanden vol koeienvlaaien [1986; Leeuwarder Courant]. Samenstelling van → koe en vla(ai) in een overdrachtelijke betekenis, op grond van de gelijkenis met een vlaai; vergelijk Vlaams-Brabants taart, toort ‘drek, uitwerpselen’, Luiker Waals flate ‘koeienvlaai’ uit Duits Fladen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vla* [dik melkgerecht] {1779} uit vlade [dik melkgerecht] {1658} hetzelfde woord als vlade [koek].

vlaai1* [gebak] {vlaeye 1540} uit vlade.

vlade* [koek] {vlade [dunne brede koek] 1201-1250} middelnederduits vlade, oudhoogduits flado, middelengels flothe; buiten het germ. grieks platus [plat, breeduit], oudiers lethan [breed], oudkerkslavisch plesna, armeens lain [voetzool], oudindisch prathati [hij breidt uit] (vgl. vlaai1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlaai 1 znw. (zuidnl.), mnl. vlaeye, samengetrokken uit vlade.

vlade, vla, vlaai znw. v., mnl. vlāde ‘taart, koek’, mnd. vlāde, ohd. flado m. (nhd. fladen), flada v. ‘platte koek’, maar nnoorw. dial. flade m. ‘kleine vlakte, veld’; abl. mhd. vluoder, vlūder m. ‘flagendula, dimidius piscis’. Met affectieve -dd-: mnl. 2de nv. der vladder zee, waarsch. ‘vlak, uitgestrekt’, mnd. vladder ‘dunne veenlaag’. — Grondvorm *flaþōn, waarvan þ kan teruggaan op idg. t of th, die beide vertegenwoordigd zijn. Voor idg. *plā̆t, plē̆t vgl. gr. platús ‘plat, breed’, plátanos ‘plataan’, lat. planta v. ‘voetzool’, oiers lethaim ‘uitbreiden’, letha ‘breder’ lit. plõtyti ‘uitbreiden’, plõtis ‘breedte’, lett. plàtît, plèst ‘dun opsmeren’, osl. plešte ‘schouder’ (IEW 833-4); van de wt. *plā̆th, plē̆th-: oi. pṛathatī́ ‘uitbreiden’, pṛthā́- ‘vlakke hand’, prthivī v. ‘aarde’ (= gr. Plátaia, gall.-lat. Letavia, miers Letha ‘Bretagne’), maar gr. pláthanos m., plathánē ‘koekplaat’ gaat terug op *pladh-. — Voor een wortel met media aan het eind zie: vlet, vgl. ook vledder 2 en vlonder, voor verdere verbindingen zie: vloer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlade, vla znw., mnl. vlāde (m.?) “taart, koek”. = ohd. flado (nhd. fladen) m., flada v., mnd. vlāde (m.?) “platte koek”, noorw. dial. flade m. “kleine vlakte, veld”. Evenals mhd. vluoder m. “pleuronectes flesus” van de idg. basis plā̆t(h)-, plē̌t(h)- “vlak, plat, wijd zijn”, waarvan ook ier. lethaim “ik breid uit”, lat. pla-n-ta “voetzool”, gr. platís “plat, breed”, pláthanon “plaat waarop koek of brood bereid wordt”, obg. plesna “voetzool” (*plet-snâ-), lit. platùs “breed”, arm. lain “id.”, oi. pṛthú- ”id., wijd, ruim”, práthati “hij breidt uit”. Deze basis is een verlenging van de basis pelâ-, pelê-, die bij vloer ter sprake komt en die oorspr. identisch is met de bij veld behandelde basis. Zie nog vlak I, vlet, vlonder.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlade, vla. Mnl. vlāde v. (ook m.?). Hierbij het formeel moeilijk te beoordelen bnw., dat mnl. eenmaal is overgeleverd in de genit. vr. (der) vladder (zee) en wsch. ‘vlak, uitgestrekt’ betekent??

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vla v., Mnl. vlade + Ohd. flado (Mhd. vlade, Nhd. fladen), Meng. flothe: zooveel als platte koek + Skr. pṛthus, Gr. platús, Lat. Plautus (= platvoet), Lit. platùs = breed. Uit Germ. komt Fr. flan, en van hier Eng. flawn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vla s.nw.
Vloeibare mengsel van o.a. melk, eiers en suiker wat as nagereg of as sous by ander nagereg dien.
Uit Ndl. vla (1779), 'n verkorting van vlade (1746) 'vla'.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vlaai: (in voetbalkringen) supporter van MVV Maastricht. Spelers en supporters worden hier vereenzelvigd met de (ambachtelijk gemaakte) Limburgse vlaaien. Een liedje van PSV-supporters om de tegenstanders te jennen heeft als regels: ‘Wat zijn die vlaaien stil, wat zijn die vlaaien stil.’

De scheldwoordenschat in Nederlandse voetbalstadions is ontstellend simplistisch van aard. Iedereen die niet uit de Randstad komt, is een ‘boer’, supporters van clubs in de buurt van de oostgrens heten ‘moffen’ of ‘NSB’ers’, Amsterdammers zijn ‘joden’ en MVV’ers ‘vlaaien’. Omgekeerd hebben supporters van De Graafschap en PSV het woord ‘boer’ als geuzennaam geannexeerd, in ‘wij zijn superboeren’, zoals ook Ajacieden zingen dat ze ‘superjoden’ zijn. (Elsevier, 09/11/2002)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vla, van ’t Voorgerm. platan of plathan = het platte; vgl. ’t Gr. platus = breed, plat. Ook is verwant ons vlonder: voetplank, voetbruggetje. Zie ook Vlet en Vloer.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vla* dik melkgerecht 1779 [WNT]

vlaai* gebak 1540 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut