Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

werdel - (dial.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

weendel 1, zn.: oogbout onder spinklos. Met epenthetische n naast Br. weddel ‘voorwerp als handvat aan de klink van een boerenwoning’, Ovl. werdel, weddel, werrel, wartel, Zvl. warrel ‘draaihoutje (waarmee de windplank op de molenroede vastgezet wordt); oogbout met draaibare schalm in ankerketting’. Fri. wardel, wartel ‘wervel, draaihoutje’. Weddel door ass. rd > dd uit Mnl. werdel, wordel ‘wervel, draaiende schakel’; 1375 wertele te Capric onder de moelne, Kaprijke (Coutant 440); Vnnl. werdel, wordel ‘harpax’ (Kiliaan). Mhd., D. Wirtel < Germ. *werðila, afl. van Germ. *werþan ‘zich wenden, draaien’ < Idg. *ṷert- ‘draaien’. – Bibl.: Eylenbosch 1962, 49-51.

werd, zn.: handvat of steel van een zicht. Grondwoord van Ovl. werdel > weddel, werrel, wartel, Zvl. warrel ‘handvat; draaihoutje (waarmee de windplank op de molenroede vastgezet wordt); oogbout met draaibare schalm in ankerketting’. Fri. wardel, wartel ‘wervel, draaihoutje’. Vnnl. werdel, wordel ‘harpax’ (Kiliaan). Mhd., D. Wirtel ‘spil van spinnewiel’ < Germ. *werðila, afl. van Germ. *werþan ‘zich wenden, draaien’ < Idg. *ṷert- ‘draaien’. Zie ook weendel 1. – Bibl.: Eylenbosch 1962, 49-51.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

frettelke, fretsel, zn.: gaffeltje om een vogelnest uit een holle boomstam te trekken. Frettel < vrettel < werdel. Zie weddel, wretsel.

weddel, zn.: voorwerp als handvat aan de klink van een boerenwoning. Ovl. werdel, weddel, werrel, wartel, Zvl. warrel ‘draaihoutje (waarmee de windplank op de molenroede vastgezet wordt); oogbout met draaibare schalm in ankerketting’. Fri. wardel, wartel ‘wervel, draaihoutje’. Weddel door ass. rd > dd uit Mnl. werdel, wordel ‘wervel, draaiende schakel’; 1375 wertele te Capric onder de moelne, Kaprijke (Coutant 440); Vnnl. werdel, wordel ‘harpax’ (Kiliaan). Mhd., D. Wirtel < Germ. *werðila, afl. van Germ. *werþan ‘zich wenden, draaien’ < Idg. *ṷert- ‘draaien’. – Bibl.: Eylenbosch 1962, 49-51.

werrel, zn.: spil van spinnnewiel. Door ass. rd/rr < werdel, zie weddel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

warrel (Dd, W), zn. m.: tros (noten). Var. van werdel (zie i.v.). Het WNT XXV, 1363 geeft als bet. 1 d. van werdel: 'een bep. bloeiwijze van planten waarbij de bloemen kransgewijs om den stengel staan (zooals het spinschijfje om de spil)', met een vb. uit 1543: de bloemen staen rontsom den steel gelijck een wordel.

weddelken (Al), zn. o.dim.: grendeltje. Door assimilatie rd/dd < Mnl. werdelkin, dim. van . werdel (zie i.v.).

werdel (Denderhoutem, Nederhasselt, Nieuwerkerken), weddel, werrel (noordoost), wartel (Boekhoute, ZV), warrel (Breskens), zn. m.: draaihoutje (waarmee de windplank op de molenroede vastgezet wordt); oogbout met draaibare schalm in ankerketting (ZV). Mnl. werdel, wordel 'wervel, draaiende schakel'; 1375 wertele te Capric onder de moelne, Kaprijke (Coutant 440). Mhd., D. Wirtel < Germ. *werðila, afl. van Germ. *werþan 'zich wenden, draaien' < Idg. *uert- 'draaien'. Weddel, werrel, door assimilatie rd/dd, resp. rd/rr. Zie ook wervel, warrel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wérd handvat of steel van een zicht (Gennep). = nl. dial. waarde ‘wilg’. = tw. wer ‘wilgenteen’. ~ mhgd. wirtel ‘spil v.e. spinnewiel’. Al deze woorden zijn ~ lat. vertere ‘draaien’ en oind. vartati ‘draait’. De stam daarvan werd gebruikt voor werktuigen van (wilgen-)hout waarmee men ronddraaiende bewegingen maakte.
Van Dinter e.a. 206, EWD 808, Dijkhuis 1222, IEW 1156-1157.

werdel, werzel, warl draaihoutje (Vlaanderen). Vgl. werrel ↑.
WVD II afl. V 149.

werrel spil van spinnewiel (Hamme). Ofwel ‹ wervel ‘spinschijfje’ en ~ wervelen (= hgd. wirbeln) ‘snel ronddraaien’ of ‹ werdel ‘spinschijfje’ (afleiding van mnl. werden (› nl. worden) met oorspr. bet. ‘keren’; vgl. lat. vertere ‘keren’). Het eerste is mogelijk blijkens eng. whirl ‘snel ronddraaien’ « ono. hvirfla ‘ronddraaien’ (= nl. wervelen), voor het tweede pleit Zuidkempenlands wretsel ‘draaiwerveltje’.
WVD II afl. 111, 10, Cornelissen/Vervliet 1460, WNT XXV 1362.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal