Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wieleren - (fietsen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wieler zn. ‘fiets’
Nnl. wieler ‘vélocipède’ (1867), tweewieler (1870), driewieler (1870), snelwieler (1884)
In samenstellingen Nnl. wielermanie (1869), wieler-clubs (1887), wielertocht (1892)
Kort voor 1870 bewust gevormd bij het ww. Mnl. Nnl. wielen ‘wentelen, ronddraaien’, naar voorbeeld van draaier bij draaien.
wieleren ww. ‘fietsen’
Nnl. wieleren ‘met den wieler rijden’ (1867).
wielrijder zn. ‘fietser’
wielrijders (1877), wielrijdersgezelschap (1882); wielrijden ‘fietsen’ (1888). Het zn. is eerder opgekomen dan het ww. Waarschijnlijk gevormd naar analogie van paard-rijden.
wielrennen ww. ‘om het hardst met de fiets rijden’
wielrenner (1889), wielrennen (1894). Waarschijnlijk naar analogie van paardenrennen (19e eeuw), paerderennen (Vondel).
[Gepubliceerd op 23-06-2016 op Neerlandistiek.nl]

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

rijwiel [fiets] (1869). In 1869 worden de termen rijwiel en wielrijder gemunt door de Utrechtse letterkundige Alfred Buijs. Vanaf 1886 wordt in de spreektaal fiets gebruikt, waarvan de herkomst tot op heden onzeker is. Neerlandicus Jan te Winkel zegt in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Toen omstreeks 1870 het woord velocipède hier meer algemeen bekend werd, voorzag [neerlandicus Matthias] De Vries reeds den grooten opgang, dien dit vervoermiddel zou maken, en stelde hij in het Leidsche Dagblad een Nederlandsch woord voor, om het lange vreemde woord te vervangen. Hij dacht wieler uit, met de samenstellingen tweewieler en driewieler en de afleidingen wieleren en wielenaar. Doch de liefhebberij nam toen spoedig weer af en de voorgestelde woorden raakten in vergetelheid, tot een jaar of vijftien later de liefhebberij opnieuw ontwaakte en tot een waren hartstocht aangroeide. De naam velocipède was intusschen meer en meer verdrongen door het veel kortere fiets, waarvan niemand totnogtoe den oorsprong heeft kunnen opsporen. En naast deze fiets kwam ook de tandem in gebruik. In de spreektaal zijn deze woorden nu de meest gewone, maar het gebruik van een Nederlandsch rijwiel (met rijwielschool) begint toch reeds meer en meer door te dringen met wielerbaan en het werkwoord wielrijden, dat zelfs gepatroniseerd is door den wielrijdersbond.”

Hosted by Meertens Instituut