Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijn - (drank van gegiste druiven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wijn zn. ‘drank van gegiste druiven’
Onl. wīn ‘wijn’ in thia druncun uuin ‘(degenen) die wijn dronken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wijn in enen stop wins ‘een kruik wijn’ [1236; VMNW], wijn die ghevalschet es met watre ‘wijn die (stiekem) aangelengd is met water’ [1254; VMNW].
Vroege ontlening, uit de tijd van de Romeinse wijncultuur in Noordwest-Europa, aan Latijn vīnum ‘wijn, wijndruif’.
Evenzo ontleend zijn: Got. wein; ohd. wīn (nhd. Wein); oe. wīn (ne. wine); os. en ofri. wīn; on. vín (de., zw., no. vin).
Latijn vīnum is verwant met: Grieks oĩnos; Armeens gini; Albanees verë; Hittitisch wiyan-; alle ‘wijn’, < pie. *ueih1-, *uoih1-, *uih1-. Misschien is dit afgeleid van een Indo-Europese wortel die ‘draaien, kronkelen’ betekent (Beekes 1987).
Zie ook → vignet.
Lit.: R.S.P. Beekes (1987), ‘On Indo-European “wine”’, in: Münchener Studien zur Sprachwissenschaft 48, 21-26

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijn [drank] {oudnederlands wīn 901-1000, middelnederlands wijn} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels wīn, oudnoors vīn, gotisch wein < latijn vinum, verwant met grieks oinos, (< ∗woinos) (vgl. oenologie), armeens gini, georgisch gvino; we vinden de verwanten ook in semitische talen als hebreeuws jajin (vgl. jajem), amhaars wayn, evenals in etruskisch vinu; het woord is ontleend aan een voor-gr. taal. De uitdrukking goede wijn behoeft geen krans stamt uit de tijd dat herbergen verplicht waren om, als er wijn werd geschonken, een krans uit te hangen. Toen de maatregel werd ingetrokken hingen herbergen toch de krans uit, maar als bekend was dat de wijn goed was, behoefde men dit niet te doen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijn znw. m., mnl. wijn m., onfrank. wīn, os. wīn m. o., ohd. wīn (nhd. wein), ofri. wīn m.?, oe. wīn o. (ne. wine), on. vīn o., got. wein o. < lat. vīnum, blijkens de uitspraak van de v een oude ontlening (eveneens ontleend is oiers fīn). Het woord gaat terug op een kaukasisch *voino, waarmee een alcoholische drank aangeduid wordt; dit drong in het idg. zoals gr. oĩnos, arm. gini, alb. vēns.

Uit het germ. zijn ontleend fins viina, osl. vino, lit. vỹnas. — Het geslacht van het germ. woord was oorspr. o.; later echter m. vooral in streken, die geen wijnbouw kenden (zo ook reeds in het gallo-rom., vgl. ofra. li vins).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijn znw., mnl. wijn m. = onfr. wîn (m.?), ohd. wîn (nhd. wein) m., os. wîn m. o., ofri. wîn (m.?), ags. wîn o. (eng. wine), on. vîn o., got. wein o. “wijn”, germ. *wîna-. Geen oude ablautvorm van lat. vînum “id.”, maar hieruit ontleend (vgl. azijn, most) evenals ier. fîn “id.”. Uit ’t Germ. weer obg. vino (minder wsch. uit een Zwarte-Zee-taal afgeleid), lit. vỹnas “id.”. De verhouding van idg. *woino- (lat. vînum, gr. oĩnos “wijn”; waarbij met anderen stam-auslaut alb. vênɛ, tosk. verɛ en arm. gini “id.”) tot sem. *wainu (aethiopisch wain, hebr. jajin enz.) “id.” stelt men zich verschillend voor: de hypothese, dat zoowel de idg. als de sem. vormen aan een oude Middellandsche-Zee-taal ontleend zijn, is zeer aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijn m., Mnl. id., Onfra., Os. wîn, gelijk Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. wein). Ags. wín (Eng. wine), Ofri. wín, On. vín, Go. wein, uit Lat. vinum, niet verwant met vitis (z. wederik), maar met Gr. oĩnos, uit het Semit. (Ar. wain, Hebr. jajin) of met Sem. uit een Kleinaziatische taal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wien (zn.) wijn; Vreugmiddelnederlands win <1236>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wyn s.nw.
1. Sterk drank gemaak van gegiste druiwesap. 2. Drank uit ander gegiste vrugte berei.
Uit Ndl. wijn (al Mnl. in bet. 1, 1598 in bet. 2). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1685 in die samestelling wijnparshuis 'gebou waar druiwe vir wyn gepars word' (Scholtz 1972: 180), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die samestellings wynboer, wyndruiwe en wynfles.
Ndl. wijn uit Latyn vinum 'wyn'.
D. Wein (8ste eeu), Eng. wine (805 - 831 in bet. 1), Fr. vin (11de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wijn (de), (ook, meestal:) vruchtenwijn. Hij liep voorbij de djamoebomen* van het B.O.G. Als hij nu maar een slokje wijn gehad had, dacht hij! Al was het van die bessen, om zijn verstand te benevelen (Cairo 1977: 232).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wyn: gegiste (st.) drank uit druiwe, ander vrugte en plante; Ndl. wijn (Mnl. wijn), Hd. wein, Eng. wine, Got. wein, ou ontln. aan Lat. vīnum (wu. Fr. vin), Gr. oinos, “wyn”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wijn (Latijn vinum)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Nieuwe wijn in oude zakken, een nieuw idee of gebruik in een oude, bekende vorm.
Oude wijn in oude zakken, oude inhoud in een oude vorm, niets nieuws.
Oude wijn in nieuwe zakken, een oud, bekend idee of gebruik in een andere vorm.

De vaak gevarieerde uitdrukking nieuwe wijn in oude zakken stamt (onder meer) uit Matteüs 9:17, waar Jezus een gelijkenis vertelt om uit te leggen waarom de discipelen van Johannes de Doper en de Farizeeën wel vasten, maar Jezus' discipelen niet: 'Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden' NBG-vertaling). In de Statenvertaling (1637) staat nieuwen i.p.v. jonge [leder-]sacken). In de NBG-vertaling wordt net als in de Statenvertaling gesproken van 'leren zakken'. Aardig is de titel van een spreekwoordenverzameling van Johan de Brune uit 1636: 'Nieuwe Wyn in oude Leer-zacken'. In sommige vormen van modern gebruik wordt bij oude zakken ook gehint naar de betekenis 'oude (nare) mannen'.

Deux-Aesbijbel (1562), Matteüs 9:17. Men doet oock den nieuwen wijn in gheen oude ledersacken. (De Statenvertaling (1637) heeft leder- tussen vierkante haken staan.)
[Over de presentatie van D'66 als sociaal-liberale partij:] Nieuwe wijn in oude zakken of oude wijn in nieuwe zakken? (Netwerk, KRO-televisie, 22-11-1998)
En de politieke toestand? De regering Van den Boeynants is eerder gevallen over de Kwestie Leuven en de vervlaamsing van de Leuvense universiteit. Veedeebee weg. Maar net zo snel weer terug, als nieuwe formateur. Aangelengde wijn en zelfs geen nieuwe zakken! (A. Thiry, Onder assistenten, 1993, p. 73)
'Mtwee is een nieuw licht informatief programma zonder platgetreden paden, zonder geijkte interviews en met verrassende invalshoeken,' zegt Mtwee-eindredacteur Jan Sandberg. 'Het is oude wijn in een nieuwe zak,' zegt presentator Mart Smeets. (KRO TVStudio, 27 maart - 2 apr. 1999, p. 8)
[Kop:] Oude wijn terug in oude zakken. Geen nieuwe wet nodig om beleid overheidsbedrijven te sturen. (De Standaard, 24-9-1999, p. 17)
Oude wijn in oude zakken. Weg met het overspel, leve de huwelijkstrouw. Wat betrekkelijk kort geleden niemand had kunnen vermoeden, is toch gebeurd: er is een nieuwe burgerlijkheid ontstaan. (De Volkskrant, 24-12-1998, p. K1)

Vol zoeten wijns, dronken

Deze uitdrukking komt uit Handelingen 2:12-13; op de eerste pinksterdag na Jezus' dood en hemelvaart zijn de apostelen bijelkaar. Dan wordt de Heilige Geest over hen uitgestort: er zijn tongen van vuur boven hen te zien en zij beginnen in vreemde talen te spreken. 'En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gehad!' (NBG-vertaling; in de NBV is het: 'Ze zullen wel dronken zijn'). De archaïsche vorm vol zoeten wijns stamt uit de Statenvertaling (1637).

Statenvertaling (1637), Handelingen 2:13. Sy zijn vol soeten wijns. (Liesveldtbijbel (1526): soets.)
En zou een zeventienjarig meisje de grove Duitse soldaten met wie ze zuipt en hoereert voortdurend 'soldaatjes' noemen of in haar dagboek schrijven dat iemand 'steevast vol zoeten wijns' is? (De Volkskrant, 5-6-1992)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wijn, van ’t Lat. vinum = wijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijn ‘drank van gegiste druiven’ -> Gã jwin ‘drank van gegiste druiven’ (uit Nederlands of Deens); Singalees vayin, väyin ‘drank van gegiste druiven’; Negerhollands wien, win ‘drank van gegiste druiven’; Berbice-Nederlands win ‘drank van gegiste druiven’; Sranantongo win ‘drank van gegiste druiven’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans wín ‘drank van gegiste druiven’; Arowaks wing ‘drank van gegiste druiven’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans win ‘drank van gegiste druiven’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijn drank van gegiste druiven 0901-1000 [WPs] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2522. Water in den (of zijn) wijn doen (of mengen),

d.w.z. zijne eischen matigen, inbinden ‘omdat de omstandigheden, het welbegrepen eigenbelang, de macht of wil van derden daartoe dwingen’. Iemand, die wijn vermengt met water, verdunt hem, maakt hem minder krachtig; bij overdracht op eischen, voorwaarden toegepast, deze verminderen, minder streng maken. De uitdrukking is in dezen zin bekend sedert de 16de eeuw. Vgl. Despars, II, 176: Dat die coninck.... intijts zijn advijs verandert ende watere in zijn wijn ghedaen hadde, grootelix verzoetende ende verlichtende die poincten ende articlen van den paeyse; Anna Bijns, Refr. 60:

 Omdat daer so menich rijc, groot cadet
 Mede (met Luthers Doctryne) is besmet,
 Vreesen de predicanten schade en pijn.
 Sij sorgen om die waerheit vervolcht te sijne;
 Voor 't geloove en wilt niemant laten sijn crage.
 De wijnroeyers mingen dwater metten wijne.

Voor lateren tijd vergelijke men Winschooten, 348; 361; Huygens, Korenbl. II, 203; Hooft, Brieven, 161; Pamfl. Muller no. 630 (anno 1608), bl. 21 v; Spaan, 244; Tuinman I, 115; Halma, 768: Water in zijnen wijn doen, zijne gramschap of driften matigen; Sewel, 941: Water in zynen wyn doen, to temper one's wine with water; to moderate one's eagerness; to cool one's heat or spirits; Harreb. II, 440; afrik. water in mens se wijn gooi. In Zuid-Nederland: water bij zijne(n) wijn doen. Ook in 't Fransen: mettre de l'eau dans son vin.

2572. Goede wijn behoeft geen krans,

d.w.z. goede waar behoeft men niet aan te prijzen; vgl. lat. proba merx facile emptorem reperit. Het spreekwoord herinnert aan de vroegere verplichting voor herbergen, waar wijn getapt werd, om een krans uit te hangenOok op de markt werd door middel van een stroowisch aangeduid dat men de eene of andere bijzondere of uitnemende waar te koop had (Mnl. Wdb. VII, 2345). Zie verder Zeitschr. des Vereins für Volkskunde, XVII, 195-200; Gild. v. Utr. 2, 455, 5: (Den wijn) uut doen roepen tusschen den tween bruggen ende dan enen hoep (krans) uutsteken voir an den schafft, sodattet een ygelic weten ende bekennen mach; Kil. Veyle, herba venale vinum indicans; Ndl. Wdb. VIII, 101; Van Lennep en Ter Gouw, de Uithangteekens I, 63. In Zuid-Nederland ziet men nog wel boven den ingang der bierhuizen een takje (palmtakje, spaansch hout, enz.); De Cock1, 124 en 339.. Later verviel die verplichting, maar herbergen, die niet bijzonder in trek waren, hingen toch een krans uit om klanten te lokken. De herberg, waar men wist, dat goede wijn geschonken werd, behoefde dit niet te doen; daar kwam men toch wel. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw en is in zeer veel talen bekend (Wander V, 97-98). Zie voor onze taal Feest. 936:

 Die guet es, dats een ghemeyn spreken,
 Hine darfs ghenen wisch wtsteken;
 Want ane den nest es saen vermoedt
 Wat vogle datter inne broedt.

Truwanten, 184: Die wel doet en derf ghenen wisch uutsteken; Campen, 30: gueden wyn behoeft gheenen crans; Servilius, 28*: men derf geenen wis wtsteken, daer goeden wijn te coope is, vino vendibili suspensa hedera nihil est opus; Spieghel, 285: ghoe wijn behoeft gheen krans; Suringar, Erasmus, no. CCXXXVII; vgl. Vad. Mus. V, 374; Brederoo III, 198: Wijn, die wel verkocht wordt, behoeftmen geen krans uyt te hangen; Westerbaen I, 385: Krans of roosenhoed die somtyds slechte wyn voor goê verkoopen doet; bl. 66: Goe wyn sal sich selfs wel melden, al en steeckt de krans niet uyt; Paffenr. 74: Goede wijn behoeft geen eyloof (klimop) krans; Tuinman I, 123; Sewel, 418: Voor goeden wyn behoeft men geen krans uit te steeken, good wine needs no bush; Halma, 786: Goede wijn behoeft geen krans, de waare deugd behoeft geen lof, à bon vin point d'enseigne; Harreb. I, 448 b; Joos, 146; eng. good wine needs no bush; hd. guter Wein darf keines Kranzes (verouderd); ital. al buono vino non bisogna frasca.

2573. Als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan.

De waarheid in deze woorden vervat, wordt in de Prov. Comm. 3 uitgedrukt door: als die dranc comt, so is die reden wt, waarvoor we bij Spieghel, 227 vinden: als de wijn inghaat, zoo ghaat de wijsheid uyt; Cats I, 473: als de wijn ingaet, soo gaet de wijsheit uyt; De Brune, 170:

 Daer de wijn gaet in de huyd,
 Daer gaet al de wijsheyd uyt.
 Daer de wyn gaet in de man,
 Gaet de wijsheyd in de kan.

Zie vooral Bebel, no. 442 en vgl. verder Tuinman I, 120; nal. 19; Sewel, 971; Harreb. I, 378 b; II, 461 a; Antw. Idiot. 1443; Wander V, 110; 114; nd. is dat Bêr in 'n Manne, is de Gêst in 'r Kanne (Eckart, 51); is t bêr ut de kan', is d' ferstand ut de man (Ten Doornk. Koolm. II, 570); hd. Wein ein, Witz aus; eng. when wine is in, wit is out; fr. quand le vin entre dans le corps, le jugement s'en va dehors.

2574. Iemand klaren wijn schenken,

d.i. iemand de zuivere, onvervalschte waarheid zeggen; ronduit zeggen wat men meent; vgl. Kil.: Klaeren wijn, vinum defaecatum, purum, repurgatum; hd. einem reinen Wein einschenken (Wander V, 118); Kippev. I. 176: Als edelman is hij verplicht klaren wijn in te schenken; Nkr. III, 1 Aug. p. 3: Wat verkeerds ziet g'er in om klaren wijn te schenken; VIII, 9 Mei p. 2: Van wat Jan of Klaas in het vuur van den stembusstrijd miszegd mogen hebben, daar wil ik afwezen; maar de koncentratie heeft op dit punt altijd klaren wijn geschonken; oostfri. reine wîn inschenken; Reuter, 128 a.

2575. Wijntje en Trijntje,

d.w.z. drinkgelagen en vrouwen, ‘Venusdierkens’; vooral in de uitdr. ‘Wijntje en Trijntje beminnen’, d.i. Bacchus en Venus dienen; van Wijntje naar Trijntje, eerst dronkenschap en dan wellust. In de 17de eeuw bekend en o.a. voorkomend in de Verm. Avant. I, 298: De Marquis was zedert eenige jaren seer heftig van het Podagra aangevogten, het welk hem des jaars vier of vyfmaal so geweldig aangreep, dat hy gedwongen was dickmaals so vervaarlyk van pyn te roepen, dat men het de gansche buurt over verstaan kost, gelyk die geene, die in haar jeugd Tryntje en Wyntje genoegsaam bemind hebben, om met ervarentheid daar van te konnen spreken, sulx wel geloven sullen; O. Kant. 30: t Komt van t Wijntje en van Trijntje. Zie verder Brederoo I, 60, 1595; Tuinman I, 73; 137; Harreb. II, 149 a; Jord II, 17: Trijntje en wijntje; S. en S. 7: Ga je weer zuipen, in no time alles op an wijntje en Trijntje; Worp, Drama en Tooneel I, 210: Een paar schurken die aan de jongens beloven de genoegens van Trijntje aan die van Wijntje te zullen toevoegen; Haagsche Post, 22 Juni 1918, p. 737 k. 3: De Oostenrijkers zijn erg prettig in den omgang, vroolijk en levenslustig, beminnaars bovenal van Wijntje en van Trijntje; fri. hy hâldt in bulte fen wyntsje en Tryntsje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal